ECLI:NL:PHR:2002:AE4547
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling en gevolgen voor echtgenoten in gemeenschap van goederen
De zaak betreft het cassatieberoep van verzoekster tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar en haar echtgenoot werd bekrachtigd. Beide echtgenoten waren in gemeenschap van goederen gehuwd en waren bij afzonderlijke vonnissen onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. De rechtbank beëindigde deze regeling tussentijds op grond van artikel 350 lid 3 sub Pro c, d en e van de Faillissementswet.
Het hof bekrachtigde deze beslissing, stellende dat vanwege de gemeenschap van goederen de beëindiging van de regeling voor de ene echtgenoot ook voor de andere geldt. Verzoekster betwistte dit en stelde dat geen wettelijke grond bestaat voor een dergelijk gevolg. De Hoge Raad oordeelt dat het faillissement van de ene echtgenoot niet automatisch het faillissement van de andere meebrengt, ook niet op grond van artikel 63 Faillissementswet Pro.
Desondanks faalt het beroep van verzoekster wegens gebrek aan belang, omdat het hof ook oordeelde dat verzoekster zelf onvoldoende afdrachten aan de boedel had gedaan, wat op zichzelf voldoende grond is voor beëindiging van de regeling. De overige klachten over feitelijke oordelen en motiveringen worden verworpen omdat deze niet in cassatie kunnen worden getoetst. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekster wordt bevestigd.