ECLI:NL:PHR:2002:AE4547

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/020HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c FwArt. 350 lid 3 sub d FwArt. 350 lid 3 sub e FwArt. 350 lid 5 FwArt. 63 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling en gevolgen voor echtgenoten in gemeenschap van goederen

De zaak betreft het cassatieberoep van verzoekster tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar en haar echtgenoot werd bekrachtigd. Beide echtgenoten waren in gemeenschap van goederen gehuwd en waren bij afzonderlijke vonnissen onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. De rechtbank beëindigde deze regeling tussentijds op grond van artikel 350 lid 3 sub Pro c, d en e van de Faillissementswet.

Het hof bekrachtigde deze beslissing, stellende dat vanwege de gemeenschap van goederen de beëindiging van de regeling voor de ene echtgenoot ook voor de andere geldt. Verzoekster betwistte dit en stelde dat geen wettelijke grond bestaat voor een dergelijk gevolg. De Hoge Raad oordeelt dat het faillissement van de ene echtgenoot niet automatisch het faillissement van de andere meebrengt, ook niet op grond van artikel 63 Faillissementswet Pro.

Desondanks faalt het beroep van verzoekster wegens gebrek aan belang, omdat het hof ook oordeelde dat verzoekster zelf onvoldoende afdrachten aan de boedel had gedaan, wat op zichzelf voldoende grond is voor beëindiging van de regeling. De overige klachten over feitelijke oordelen en motiveringen worden verworpen omdat deze niet in cassatie kunnen worden getoetst. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekster wordt bevestigd.

Conclusie

Rek.nr. R02/020HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 21 juni 2002
conclusie inzake
[Verzoekster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoekster van cassatie, hierna: [verzoekster], is in gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1]. Ten aanzien van beide echtgenoten is bij afzonderlijke vonnissen van 2 november 1999 door de Rechtbank te Utrecht de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Op verzoek van de bewindvoerder heeft genoemde Rechtbank bij afzonderlijke vonnissen van 29 januari 2002 de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de echtgenoten evenwel tussentijds beëindigd, zulks op de gronden als bedoeld in art. 350 lid 3 sub Pro c, d en e Fw. In hoger beroep heeft het Gerechtshof te Amsterdam deze vonnissen bij afzonderlijke arresten van 26 februari 2002 bekrachtigd. Beide echtgenoten hebben beroep in cassatie ingesteld. Deze conclusie betreft het cassatieberoep van [verzoekster]. In het cassatieberoep van [betrokkene 1] (Rek.nr. R02/019HR) wordt eveneens heden geconcludeerd.
2. In het arrest betreffende [verzoekster] overwoog het Hof onder meer (r.o. 2.2):
"Bij arrest van heden in de zaak met rekestnummer 122/02 heeft het hof het vonnis ten aanzien van [betrokkene 1] bekrachtigd. Dit arrest wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd, waarbij ten aanzien van [verzoekster] geldt dat hetgeen in dat arrest als door [betrokkene 1] erkend is vermeld, door haar, [verzoekster], in elk geval niet (voldoende) is betwist."
In het door het Hof bedoelde arrest betreffende [betrokkene 1] overwoog het Hof onder meer (r.o. 2.4):
"Als door [betrokkene 1] erkend staat voorts vast, dat hij en zijn echtgenote van de door hen uit hoofde van verrichte werkzaamheden genoten inkomsten, ook nimmer enig bedrag aan de boedel hebben afgedragen. De daarvoor aangedragen reden (dat zij gedurende de eerste maanden van het jaar 2000 "op een houtje moesten bijten") verdient in het licht van het hiervoor overwogene geen geloof."
In het arrest betreffende [verzoekster] overwoog het Hof voorts (r.o. 2.3):
"Gezien het feit dat [verzoekster] in algehele gemeenschap van goederen met [betrokkene 1] is gehuwd, zal de bekrachtiging van het vonnis met betrekking tot [betrokkene 1], tevens tot bekrachtiging moeten leiden van het vonnis met betrekking tot [verzoekster]."
3. Het tijdig (zie art. 351 jo Pro. 342 lid 3 Fw) door [verzoekster] ingestelde cassatieberoep steunt op een uit negen onderdelen opgebouwd middel.
4. De onderdelen 1 t/m 4 van het middel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij nemen stelling tegen het oordeel van het Hof dat, gezien het feit dat [verzoekster] in algehele gemeenschap van goederen met [betrokkene 1] is gehuwd, bekrachtiging van het vonnis met betrekking tot [betrokkene 1] tevens tot bekrachtiging zal moeten leiden van het vonnis met betrekking tot [verzoekster].
5. De klacht is gegrond. Het oordeel van het Hof berust kennelijk op de opvatting dat, nu [betrokkene 1] en [verzoekster] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, het faillissement van [betrokkene 1] dat ingevolge art. 350 lid 5 Fw Pro van rechtswege voortvloeit uit de op de voet van art. 350 lid 3 sub Pro c, d en e Fw uitgesproken beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [betrokkene 1], ook [verzoekster] treft. Geen wettelijke bepaling geeft steun aan deze opvatting, ook niet die van art. 63 Fw Pro. Ingevolge dit artikel wordt het faillissement van de persoon die in enige gemeenschap van goederen is gehuwd als faillissement van de gemeenschap behandeld, maar het artikel gaat niet zo ver dat het bepaalt dat een dergelijk faillissement van rechtswege ook het faillissement van de andere echtgenoot meebrengt, terwijl voor een zo vergaande conclusie elders in de wet evenmin aanknopingspunten zijn te vinden. Zie HR 13 juli 2001, NJ 2001, 525. Hieruit volgt dat, anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, de enkele omstandigheid dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [betrokkene 1] op de voet van art. 350 lid 3 sub Pro c, d en e Fw wordt beëindigd geen grond vormt voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, met het in art. 350 lid 5 Fw Pro bedoelde gevolg, ten aanzien van [verzoekster]. Zie HR 15 februari 2002, NJ 2002, 259 nt. prof.mr. B. Wessels.
6. Hoewel de klacht van de onderdelen 1 t/m 4 gegrond is, faalt zij niettemin wegens gebrek aan belang. Het oordeel van het Hof dat ook ten aanzien van [verzoekster] de toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd, berust niet alleen op de grond dat ten aanzien van [betrokkene 1] op de voet van art. 350 lid 3 sub Pro c, d en e Fw de toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd, maar ook op de grond dat [verzoekster] van de door haar uit hoofde van verrichte werkzaamheden genoten inkomsten nimmer enig bedrag aan de boedel heeft afgedragen. Deze grond kan, gezien art. 350 lid 3 sub c en Pro e Fw, het oordeel van het Hof dat ook ten aanzien van [verzoekster] de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd dient te worden zelfstandig dragen en wordt in cassatie - zoals ik hierna bij de bespreking van de middelonderdelen 7 en 8 aannemelijk hoop te maken - tevergeefs bestreden.
7. De onderdelen 5 en 6 van het middel hebben ten opzichte van de onderdelen 1 t/m 4 een subsidiair karakter en klagen dat, indien al juist is het oordeel van het Hof dat het faillissement van [betrokkene 1] dat ingevolge art. 350 lid 5 Fw Pro van rechtswege voortvloeit uit de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling te zijnen aanzien op de voet van art. 350 lid 3 sub Pro c, d en e Fw, ook [verzoekster] treft, het Hof niet zonder een belangenafweging, die ontbreekt, had mogen beslissen dat ook ten aanzien van [verzoekster] - met het in art. 350 lid 5 Fw Pro bedoelde gevolg - de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd dient te worden.
8. De onderdelen falen, omdat het uitgangspunt waarop zij berusten onjuist is: de opvatting die aan het bedoelde oordeel van het Hof ten grondslag ligt, kan niet als juist worden aanvaard.
9. De onderdeel 7 van het middel klaagt dat niet juist is het oordeel van het Hof dat [betrokkene 1] en [verzoekster] van de door hen uit hoofde van verrichte werkzaamheden genoten inkomsten nimmer enig bedrag aan de boedel hebben afgedragen.
10. Het onderdeel zal niet tot cassatie kunnen leiden. 's Hofs oordeel is van feitelijke aard en kan in cassatie op juistheid niet worden getoetst. Een zodanig oordeel laat zich in cassatie slechts bestrijden met motiveringsklachten. Zie A.E.B. ter Heide, TCR 2001, blz. 79 (onder 3). Voor zover het onderdeel 's Hofs oordeel (ook) wegens motiveringsgebreken beoogt aan te vechten, faalt het evenzeer; vindplaatsen in de gedingstukken waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] wèl bedragen uit bedoelde inkomsten aan de boedel heeft afgedragen worden niet vermeld, zodat het onderdeel niet voldoet aan de aan een cassatieklacht ingevolge art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen. Zie HR 11 januari 2002, RvdW 2002, 13.
11. Ook onderdeel 8 van het middel is tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft de reden waarom volgens [verzoekster] en [betrokkene 1] aan hen geen verwijt kan worden gemaakt van het achterwege blijven van afdrachten aan de boedel als ongeloofwaardig bestempeld. Dit oordeel berust op een aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden feitelijke waardering van ten processe gebleken feiten en omstandigheden en van de proceshouding van [verzoekster] en haar echtgenoot. Op juistheid kan dit oordeel in cassatie niet worden getoetst.
12. Onderdeel 9 van het middel kan evenmin tot cassatie leiden. Het verliest uit het oog dat ingevolge art. 419 lid 1 Rv Pro de Hoge Raad zich bij zijn onderzoek moet bepalen tot duidelijk omschreven, aan de eisen van art. 407 lid Pro 2 c.q. art. 426a lid 2 Rv beantwoordende middelen waarop het cassatieberoep steunt. Ambtshalve cassatie of cassatie buiten de voorgestelde middelen om staat de Hoge Raad niet vrij. Zie D.J. Veegens, Cassatie in burgerlijke zaken, 3e dr. bew. door E. Korthals Altes en H.A. Groen, 1989, nr. 153.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,