ECLI:NL:PHR:2002:AE4549
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie inzake provisionele bewindvoering
Op 21 juni 2001 diende een familielid van verweerster een verzoekschrift in tot ondercuratelestelling en benoeming van een provisioneel bewindvoerder. De rechtbank benoemde verzoeker tot provisioneel bewindvoerder. Verweerster ging in hoger beroep, waarbij het hof de beschikking van de rechtbank vernietigde en het verzoek afwees omdat de verzoeker geen bevoegd familielid was volgens de wet.
Verzoeker stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het oordeel van het hof. Kort daarna sprak de rechtbank een curatele uit over verweerster en benoemde een andere persoon tot curator. Volgens artikel 1:383 lid 4 BW Pro eindigt het provisioneel bewind automatisch bij de benoeming van een curator.
De Hoge Raad oordeelde dat verzoeker geen belang meer had bij het cassatieberoep omdat het provisioneel bewind was geëindigd. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.