1 Zie rov. 4.2 - 4.5 van het bestreden arrest. Het hof heeft grief 1, welke was gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, gedeeltelijk gegrond bevonden (zie rov. 3.4).
2 Aldus de vaststelling van het hof in rov. 4.2. Bij CvA punt 2 heeft [verweerder] gesteld dat hij slechts indirect grootaandeelhouder was, te weten via twee beheersvennootschappen.
3 Blijkens de vaststelling van de rechtbank onder j was de vordering van de Rabobank op de vennootschap door een pandrecht verzekerd. De koper, Kennemerland, heeft f 263.725,- overgemaakt op de rekening van de vennootschap bij de Rabobank, zodat de kredietschuld van de vennootschap aan de Rabobank met hetzelfde bedrag werd verminderd.
4 Inl. dagv. punt 10, weergegeven in rov. 4.6 van het bestreden arrest.
5 Inmiddels had [eiser] een vordering tot betaling van f 160.000,- op gelijke gronden in kort geding tegen [verweerder] aanhangig gemaakt. Deze vordering werd in hoger beroep afgewezen door het gerechtshof te Amsterdam op 9 juli 1998. Het cassatieberoep van [eiser] tegen die beslissing is verworpen (HR 31 maart 2000 nr. C 98/248 HR) met toepassing van art. 101a (oud) R.O.
6 De s.t. noemt als vindplaats van deze stelling: de pleitnotities namens [eiser] in hoger beroep, alinea 1.4. Daar wordt over de vordering van de fiscus gesteld "dat het gaat om een preferente vordering die niet het gevolg is van een normale bedrijfsvoering".
7 Het hof heeft met de term "bijzondere omstandigheden" vermoedelijk het oog gehad op de jurisprudentie (zie o.m. HR 13 juni 1986, NJ 1986, 825 en HR 8 januari 1999, NJ 1999, 318 m.nt. Ma). Een restatement van de rechtspraak is te vinden in HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 m.nt. Ma. In rov. 3.4.1 bespreekt de Hoge Raad de situatie waarin aan een bestuurder wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen uit hoofde van een eerder aangegane overeenkomst (in casu: de arbeidsovereenkomst met [eiser]) niet nakomt. In een dergelijke situatie zal het, aldus de Hoge Raad, van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden.
8 Zie CvR par. 3, i.h.b. 3.5 - 3.7 en de samenvatting in 3.13.
9 Zie rov. 9.2 (in 1990-1994 was voor [verweerder] niet te voorzien dat [eiser] in 1997 een vordering van f 160.000,- op de vennootschap zou krijgen) en rov. 9.5 (de eigen rol van [eiser] in het geheel).
10 Pleitnota in hoger beroep, alinea 1.5. Dit is de passage, waarop de s.t. namens [eiser] onder 1.5 het oog heeft.
11 Pleitnota in hoger beroep, alinea 1.6.
12 Cursivering van mij, A-G.
13 Ook indien zou zijn gekozen voor een reserveringsrekening bij een bank, zoals de toelichting op het middel onder 2.1.2 oppert, geldt dat de vordering op de bank deel uitmaakt van het vermogen van de vennootschap en dus in de jaarstukken moet worden verantwoord.
14 Vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 m.nt. Ma, rov. 3.4.1, eerste categorie.