ECLI:NL:PHR:2002:AE4812
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat rentekorting op hypothecaire leningen niet op nihil gesteld kan worden voor premie werknemersverzekeringen
In deze zaak staat centraal de vraag of het voordeel dat werknemers genieten door een door de werkgever verstrekte rentekorting op hypothecaire geldleningen, voor de premieheffing werknemersverzekeringen op nihil mag worden gesteld. De werkgever betaalde rechtstreeks een korting op de rente aan een door haar aangewezen bank, terwijl de resterende kosten voor rekening van de werknemer kwamen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de regeling van artikel 3a van de beschikking van 1954, die het rentevoordeel op nihil stelt, niet van toepassing is op door derden verstrekte leningen, ook al betreft het een door de werkgever aangewezen bank. De Hoge Raad onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat het begrip "vanwege zijn werkgever verstrekte geldleningen" taalkundig beperkt moet worden uitgelegd.
Verder bespreekt de Hoge Raad de waardering van het voordeel als loon in natura en stelt dat het voordeel gelijk moet worden gesteld aan het nominale bedrag van de door de werkgever betaalde korting, omdat werknemers zelf bepalen of zij gebruik maken van de regeling en het voordeel niet gelde maakt kan worden. De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van de Centrale Raad van Beroep en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het voordeel uit de rentekorting wordt niet op nihil gesteld voor de premieheffing werknemersverzekeringen.