ECLI:NL:PHR:2002:AE5148
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vaderschap en kinderalimentatie na beëindigde relatie
Partijen hadden een affectieve relatie en woonden enige tijd samen, maar waren niet gehuwd. De vrouw is moeder van een kind geboren na het beëindigen van de relatie. De man weigerde het vaderschap te erkennen. De rechtbank beval DNA-onderzoek, dat met grote zekerheid het vaderschap van de man vaststelde. De rechtbank stelde het vaderschap vast en legde een alimentatieverplichting op.
De man ging in hoger beroep en verzocht om een contra-expertise, maar het hof wees dit af vanwege gebrek aan steekhoudende argumenten. De man stelde dat hij mogelijk niet de verwekker was omdat de vrouw mogelijk kunstmatig was geïnsemineerd, maar dit werd onvoldoende onderbouwd bevonden. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en stelde vast dat de alimentatieverplichting vanaf de datum van het verzoek ingaat.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man. Het hof had terecht het verzoek tot contra-expertise afgewezen en de alimentatieverplichting vastgesteld op basis van de gezamenlijke welstand van de ouders, mede vanwege hun eerdere samenwoning. De draagkracht van de man werd aangenomen omdat hij onvoldoende gegevens had aangeleverd. De ingangsdatum van de alimentatie was correct vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het vaderschap en de alimentatieverplichting worden bevestigd.