AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling vaderschap en kinderalimentatie na beëindigde relatie
Partijen hadden een affectieve relatie en woonden enige tijd samen, maar waren niet gehuwd. De vrouw is moeder van een kind geboren na het beëindigen van de relatie. De man weigerde het vaderschap te erkennen. De rechtbank beval DNA-onderzoek, dat met grote zekerheid het vaderschap van de man vaststelde. De rechtbank stelde het vaderschap vast en legde een alimentatieverplichting op.
De man ging in hoger beroep en verzocht om een contra-expertise, maar het hof wees dit af vanwege gebrek aan steekhoudende argumenten. De man stelde dat hij mogelijk niet de verwekker was omdat de vrouw mogelijk kunstmatig was geïnsemineerd, maar dit werd onvoldoende onderbouwd bevonden. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en stelde vast dat de alimentatieverplichting vanaf de datum van het verzoek ingaat.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man. Het hof had terecht het verzoek tot contra-expertise afgewezen en de alimentatieverplichting vastgesteld op basis van de gezamenlijke welstand van de ouders, mede vanwege hun eerdere samenwoning. De draagkracht van de man werd aangenomen omdat hij onvoldoende gegevens had aangeleverd. De ingangsdatum van de alimentatie was correct vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het vaderschap en de alimentatieverplichting worden bevestigd.
Conclusie
Rekest nr. R02/017
Mr. J. K. Moltmaker
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Kinderalimentatie
Parket, 28 juni 2002
Conclusie inzake
[De man]
tegen
[De moeder]
Edelhoogachtbaar college,
1 Feiten en procesgang
1.1 Aan de beschikking van de Hoge Raad van 22 september 2000, NJ 2001, 647, m. nt. JdB ontleen ik de volgende feiten:
"(i) Partijen zijn geen van beiden gehuwd. Zij hebben sedert april 1995 gedurende enige tijd een affectieve relatie met elkaar gehad, mede van seksuele aard.
(ii) Van augustus 1995 tot juni 1996 woonden partijen samen. Na het verbreken van de samenwoning bleven zij contact met elkaar houden. Op enig moment is hun relatie geëindigd.
(iii) De vrouw (verweerster in cassatie, M.) is de moeder van [het kind] die is geboren op 17 mei 1998, na de verbreking van de relatie tussen partijen. De man (verzoeker tot cassatie, M.) heeft geweigerd te voldoen aan het verzoek van de vrouw om [het kind] als zijn kind te erkennen."
1.2 Verweerster in cassatie (de moeder) heeft aan de rechtbank te 's-Hertogenbosch verzocht vast te stellen dat verzoeker tot cassatie (de man) de vader is van [het kind]. De rechtbank heeft ambtshalve een DNA-onderzoek bevolen. Het hof te 's-Hertogenbosch heeft deze beschikking bekrachtigd. De Hoge Raad heeft het tegen de beschikking van het hof gerichte cassatieberoep van de vader verworpen bij de in nr. 1.1 genoemde beschikking.
1.3 Op 25 januari 2001 heeft de afdeling immunogenetica van het Centraal Laboratorium van het Rode Kruis (CLB) te Amsterdam rapport uitgebracht aan de rechtbank te 's-Hertogenbosch. De conclusie van het rapport is dat de man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de vader van [het kind] is.
1.4 De rechtbank heeft bij beschikking van 22 juni 2001 vastgesteld dat de man vader is van [het kind]. De rechtbank bepaalde tevens dat de man met ingang van 9 juni 1998 ( de datum van het inleidend verzoekschrift) aan de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van f 500,- per maand zal moeten betalen.
1.5 De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Hij heeft grieven gericht zowel tegen de vaststelling van het vaderschap als tegen de bepaling van de kinderalimentatie. Wat het vaderschap betreft heeft de man een contra-expertise verzocht.
1.6 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd bij beschikking van 12 december 2001. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
"4.6. Het hof is van oordeel dat de man geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd, die een contra-expertise rechtvaardigen. (...)
Ten slotte heeft de man tegenover het hof verklaard dat ook nadat bij wege van contra-expertise een tweede DNA-onderzoek zal zijn verricht met eenzelfde resultaat, hij van mening zal blijven dat hij mogelijk moet worden aangemerkt als de biologische vader van [het kind], maar zeker niet als haar verwekker. Gelet op dit standpunt kan een bij wege van contra-expertise te verrichten tweede DNA-onderzoek naar het oordeel van het hof bovendien niet bijdragen aan een de in dezen te nemen beslissing.
4.7. Bij zijn twijfels over zijn vaderschap van [het kind] laat de man zich in het bijzonder leiden door de inhoud van een door hem als productie 1 bij het beroepschrift in het geding gebrachte ongedateerde brief van de vrouw aan hem. Daarin schrijft de vrouw onder meer en voor zover thans van belang "Je weet dat we ooit geprobeerd hebben om een kind te nemen, zoals je weet was dit niet mogelijk op natuurlijke wijze." en "omdat ik toch wist dat ik niet zwanger zou kunnen worden".
Daaruit moet volgens de man worden geconcludeerd dat de vrouw niet in staat is door middel van geslachtsgemeenschap een kind te krijgen.
Dat de man niet de verwekker van [het kind] zou zijn, kan naar het oordeel van het hof niet gebaseerd zijn op deze enkele schriftelijke uitlatingen van de vrouw, nu zij bij haar standpunt blijft dat de man de verwekker van [het kind] is.
4.8. Op grond van de inhoud van het door het CLB uitgebrachte rapport moet ook naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat de man de vader van [het kind] is. Daarvan uitgaande heeft de man niet, althans onvoldoende gesteld - en is ook anderszins niet gebleken - op welke wijze, anders dan door geslachtsgemeenschap, de vrouw zwanger is geworden van [het kind], waaraan door hem geen medewerking zou zijn verleend.
4.9. (...)
De wettelijke onderhoudsplicht brengt naar het oordeel van het hof mee dat een kind, zeker als zijn ouders ooit hebben samengewoond (in dit geval staat vast dat partijen vóór de geboorte van [het kind] van begin augustus 1995 tot omstreeks 9 juni 1996 hebben samengewoond) opgroeit in een welstand die gerelateerd is aan het inkomen van beide ouders, hetgeen in dit geval impliceert dat, nu de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt, de man moet bijdragen met het bedrag dat hij aan [het kind] zou besteden als zij in zijn eigen gezin zou opgroeien. (...)
4.10. De man heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende gegevens in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn gemis aan draagkracht tot betaling van de bij de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage. Zijn draagkracht tot betaling van de bestreden bijdrage wordt daarom aangenomen.
(...)
4.12. De man heeft naar het oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan in redelijkheid zou moeten worden afgeweken van de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Door de betwisting door de man van zijn vaderschap is de bijdrage pas bij de bestreden beschikking vastgesteld. Dat neemt geenszins weg, dat de man rekening heeft kunnen houden met vaststelling van een onderhoudsverplichting met ingang van de datum van indiening door de vrouw van haar inleidend verzoekschrift. (...)"
1.7 De man heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking van het hof. De moeder heeft een verweerschrift ingediend.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1 Onderdeel 2.3.1
2.1.1 Onderdeel 2.3.1 bevat twee klachten. De klacht onder (a) luidt dat het hof ten onrechte het verzoek van de man tot contra-expertise met betrekking tot het vaderschap heeft afgewezen. Betoogd wordt dat een recht op contra-expertise bestaat "geheel los van de hoeveelheid en/of steekhoudendheid van de eventuele argumenten vanuit de man".
2.1.2 Deze klacht faalt. Het staat de rechter vrij een verzoek om benoeming van deskundigen, af te wijzen, zie HR 11 november 1977, NJ 1978, 589, HR 20 mei 1988, NJ 1988, 779, HR 12 april 1991, NJ 1991, 434, HR 13 januari 1995, NJ 1995, 391. Dat geldt ook indien die deskundigen contra-expertise zouden gaan uitvoeren. Slechts in enkele expliciet in de wet genoemde gevallen (bijvoorbeeld art. 810a Rv. en art. 8 zesdePro lid Bopz) is er in beginsel een recht op (contra-)expertise.
2.1.3 In onderdeel 2.3.1 (b) wordt geklaagd dat het hof heeft nagelaten te responderen op de stelling van de man dat hij weliswaar niet kan uitsluiten dat hij de biologische vader van [het kind] is, maar dat hij niet haar verwekker is in de zin van art. 1:207 BWPro nu wat de man betreft de mogelijkheid is blijven openstaan dat de moeder zich kunstmatig heeft laten insemineren met zijn zaad. Hij heeft daartoe in feitelijke instanties gesteld dat hij lid was van een spermabank, dat de moeder dat wist en dat de moeder hem heeft geschreven dat zij niet op natuurlijke wijze een kind kon krijgen.
2.1.4 De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 4.7 op de laatste stelling van de man gerespondeerd en heeft in rov 4.8 geoordeeld dat diens stellingen onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat de moeder op andere wijze dan door geslachtsgemeenschap met de man zwanger is geworden van [het kind]. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is voldoende gemotiveerd in het licht van de volgende omstandigheden. De man heeft geen bewijs aangeboden van zijn stelling dat de moeder op andere wijze dan door geslachtsgemeenschap zwanger is geworden van [het kind]. Bij brief van zijn raadsman van 13 april 2001 heeft de man afgezien van verweer op dit punt. In appèl heeft de man weliswaar opnieuw betwist dat hij de verwekker is van [het kind], maar hij heeft daarvoor geen andere argumenten naar voren gebracht dan de in rov. 4.7 door het hof genoemde brief van de moeder. Die brief was naar het, niet onbegrijpelijke, oordeel van het hof onvoldoende.
2.2 Onderdeel 2.3.2
2.2.1 Onderdeel 2.3.2 is gericht tegen rov. 4.9 waarin het hof overweegt dat de behoefte van [het kind] gerelateerd dient te worden aan de welstand van beide partijen nu zij ooit hebben samengewoond. De man betoogt dat dit onjuist is en dat de behoefte van [het kind] alleen aan het inkomen van de vrouw gerelateerd moet worden nu er geen sprake is van een gezamenlijke keuze om een kind te laten ontstaan.
2.2.2 De klacht faalt. Naar vaste rechtspraak zijn de afweging en de waardering van de factoren die de behoefte en de draagkracht bepalen, voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Aan rechterlijke uitspraken die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van door partijen met het oog op hun behoefte en draagkracht aangevoerde omstandigheden, kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld (zie bijvoorbeeld HR 10 december 1999, NJ 2000, 4). Dat het hof in het licht van de omstandigheid dat partijen ooit hebben samengewoond, de behoefte van [het kind] heeft vastgesteld aan de hand van de inkomens van beide partijen, acht ik niet onbegrijpelijk en aldus voldoende gemotiveerd (zie ook Hof Arnhem 3 april 2001, Echtscheidingsbulletin 2001, 22, in welke uitspraak het hof de behoefte van het kind eveneens heeft vastgesteld aan de hand van de inkomens van de vader en de moeder gezamenlijk, ook al hadden zij nooit samengewoond). Of er sprake was van een gezamenlijke keuze voor een kind is niet relevant nu de onderhoudsverplichting van de verwekker jegens zijn kind niet afhankelijk is van een dergelijke keuze.
2.2.3 Onderdeel 2.3.2 klaagt voorts dat onjuist is de overweging van het hof in rov. 4.9 dat de man de behoefte van [het kind] aan een bijdrage van f 500,- niet heeft bestreden.
2.2.4 Ook deze klacht faalt. De man heeft in appèl zijn verweer uitsluitend gebaseerd op zijn stelling dat de behoefte van [het kind] enkel gerelateerd dient te worden aan het inkomen van de moeder omdat partijen ten tijde van de verwekking van [het kind] al niet meer samenwoonden. De man heeft in appèl noch in eerste aanleg andere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de behoefte van [het kind] op een lager bedrag zou moeten worden vastgesteld. Het cassatieverzoekschrift noemt dergelijke omstandigheden ook niet.
2.3 Onderdeel 2.3.3
2.3.1 Onderdeel 2.3.3 bevat twee klachten. De eerste is gericht tegen de overweging van het hof in rov. 4. 10 dat de man onvoldoende gegevens over zijn draagkracht ter beschikking heeft gesteld zodat zijn draagkracht wordt aangenomen. De tweede klacht betreft de ingangsdatum van de alimentatie.
2.3.2 De eerste klacht van onderdeel 2.3.3 faalt. Anders dan in het onderdeel wordt betoogd, was het hof, toen het tot het oordeel gekomen was dat de man onvoldoende gegevens had overgelegd om zijn gemis aan draagkracht te staven, niet verplicht de man in de gelegenheid te stellen nadere gegevens over te leggen, HR 2 februari 1996, NJ 1996, 569. Het is aan de feitenrechter te beoordelen wat op grond van de eisen van een goede procesorde in het licht van de omstandigheden van het geval mag worden verlangd van een partij en welk gewicht aan het ontbreken van stukken dient te worden gehecht, HR 3 januari 1997, NJ 1997, 451.
2.3.3 Ook de tweede klacht van onderdeel 2.3.3 faalt. Ingevolge art. 1:402 eerstePro lid BW bepaalt de rechter de ingangsdatum van de alimentatie. Zie hierover uitvoerig mijn ambtgenote De Vries Lentsch-Kostense in punt 9 van haar conclusie d.d. 24 mei 2002 in de zaak nr. R01/090. Het hof heeft geoordeeld dat de man geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden dat een andere ingangsdatum wordt gekozen dan de datum waarop de moeder het inleidend verzoekschrift heeft ingediend. Naar het oordeel van het hof heeft de man vanaf die datum rekening kunnen houden met vaststelling van een onderhoudsverplichting vanaf die datum. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
3 Conclusie
Het middel in al zijn onderdelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden