ECLI:NL:PHR:2002:AE5166
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid mandatering en geldigheid dwangbevel belastinginvordering
De zaak betreft een geschil over de bevoegdheid van een ambtenaar van de Belastingdienst, [betrokkene 1], om een dwangbevel uit te vaardigen en te ondertekenen namens de Ontvanger. [Eiser] stelt dat het dwangbevel nietig is omdat de schriftelijke aanwijzing van [betrokkene 1] als mandaat ontbrak, zoals vereist door art. 19 lid 3 van Pro de Uitvoeringsregeling Belastingdienst (UrB).
De rechtbank stelde aanvankelijk vast dat onvoldoende aannemelijk was dat het dwangbevel door een bevoegde ambtenaar was uitgevaardigd, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat mondeling mandaat en materiële bevoegdheid voldoende waren en dat het formele gebrek van geringe betekenis was. Het hof verwierp ook de stelling dat het beslag nietig was vanwege het ontbreken van schriftelijke opdracht aan de deurwaarder en het niet invullen van de kolom "beslagopdracht" op het dwangbevel, omdat het Handboek Invordering geen sanctie aan dit formele gebrek verbond.
De Hoge Raad bevestigt dat het formele gebrek van het ontbreken van een schriftelijke mandatering niet tot nietigheid leidt indien materiële bevoegdheid aanwezig is en het belanghebbende duidelijk was dat het dwangbevel namens de Ontvanger werd uitgevaardigd. Het beroep van [eiser] wordt verworpen omdat hij zich niet kan beroepen op het formele gebrek om zich van zijn belastingschulden te bevrijden. Ook de stelling dat het beslag nietig is vanwege procedurele tekortkomingen wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het dwangbevel blijft rechtsgeldig ondanks het ontbreken van schriftelijke mandatering.