ECLI:NL:PHR:2002:AE5209
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in verzet tegen verstekvonnis uit 1950 wegens niet-wettelijke wijze van instellen
De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis van de Bijzondere Strafkamer van 22 juni 1950, waarbij verdachte destijds tot de doodstraf (later levenslang) werd veroordeeld wegens oorlogsmisdaden. Verdachte was destijds voortvluchtig en niet op de hoogte van de zitting. In 2001 werd door de Duitse advocaat van verdachte een verzet ingesteld via fax, nadat verdachte kennis had genomen van het vonnis en de verstekmededeling.
De rechtbank verklaarde het verzet ontvankelijk, stellende dat de fax van de Duitse advocaat als een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker kon worden opgevat. De officier van justitie stelde echter cassatieberoep in tegen deze ontvankelijkheidsverklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat buitenlandse advocaten zich moeten houden aan de wettelijke voorschriften van de lidstaat waar zij optreden, en dat het instellen van verzet via fax niet voldoet aan de vereisten van artikel 449 en Pro 450 Sv. De fax kan niet worden gezien als een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker. Hierdoor is het verzet niet op de wettelijk voorgeschreven wijze ingesteld en is verdachte niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van verdachte niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en vernietigt het vonnis van 5 februari 2002. Het verstekvonnis van 1950 wordt onherroepelijk en daarmee voor executie vatbaar. Verdachte bevindt zich niet in de Nederlandse rechtsmacht.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen het verstekvonnis, waardoor het vonnis onherroepelijk wordt.