ECLI:NL:PHR:2002:AE5591
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid ontnemingsvordering ondanks termijnoverschrijding en bevestigt berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep van verzoeker verworpen tegen een ontnemingsvordering opgelegd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De ontnemingsvordering betrof een bedrag van ƒ 1.309.000,= met een vervangende hechtenis van vierenzestig maanden bij niet-betaling.
Verzoeker voerde meerdere middelen aan, waaronder dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou zijn wegens overschrijding van de in art. 511b Sv gestelde termijn van twee jaar en het vereiste 'zo spoedig mogelijk' aanhangig maken van de vordering. De Hoge Raad bevestigde dat de vordering uiterlijk op 15 oktober 1998 aanhangig is gemaakt, wat binnen de termijn valt, en dat overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, maar hooguit tot vermindering van de sanctie.
Daarnaast betwistte verzoeker de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, met name de aanname dat de hashish is verkocht. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende bewijs had voor de verkoop en dat de berekening niet onbegrijpelijk was. Ook werd een verklaring van een chauffeur die geen hashish vervoerde niet als tegenbewijs gezien, maar als verduidelijking van de samenwerking.
De Hoge Raad concludeerde dat de beslissing van het hof niet onbegrijpelijk of onjuist was en verwierp het cassatieberoep, waarmee de ontnemingsmaatregel in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering en handhaaft de maatregel van ƒ 1.309.000,= met vervangende hechtenis.