ECLI:NL:PHR:2002:AE5796
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over provisie en klantenvergoeding uit agentuurovereenkomst windturbineprojecten
Deze zaak betreft een langdurig geschil tussen Ibro, Newinco en Nedwind over de uitleg en toepassing van een agentuurovereenkomst die liep tot 28 februari 1994. Ibro vorderde provisie over diverse windturbineprojecten en een klantenvergoeding, waarbij onenigheid bestond over de omvang, berekening en toewijzing van deze provisie.
De lagere rechters oordeelden dat Ibro recht had op provisie over bepaalde projecten, ook buiten de formele agentuurovereenkomst met Nedwind, mits zij had bijgedragen aan de totstandkoming van orders. Tevens werd een klantenvergoeding toegekend wegens de door Ibro opgebouwde klantenkring die aanzienlijke voordelen opleverde voor Newinco. Diverse tussenvonnissen en hoger beroep betroffen bewijslevering en de uitleg van de provisieregeling.
In cassatie betoogden Newinco en Nedwind onder meer dat de provisieaanspraken reeds waren beslist, dat de toepasselijkheid van art. 74d lid 1 sub c (oud) K onjuist was vastgesteld, en dat de veranderde markt en het ontbreken van exclusiviteit de aanspraken uitsloten. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde de toepassing van de wettelijke regeling op de agentuurovereenkomst, en oordeelde dat de lagere rechters voldoende gemotiveerd hadden geoordeeld over de provisie en klantenvergoeding. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Newinco en Nedwind wordt verworpen; Ibro behoudt haar aanspraken op provisie en klantenvergoeding.