ECLI:NL:PHR:2002:AE5801
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voeging in hoger beroep bij familierechtelijke omgangsregeling
De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de naleving van een omgangsregeling voor hun minderjarige kinderen. De man had de vrouw gedagvaard om uitvoering te geven aan een eerder vastgesteld omgangsrecht, waarop de vrouw in hoger beroep ging. Zij verzocht het hof om voeging van twee procedures, maar het hof wees dit verzoek af omdat de voeging niet op de juiste wijze was ingediend.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof ten onrechte een te strikte eis stelde aan het moment van indiening van het voegingsverzoek, terwijl volgens haar ook in de memorie van grieven een voeging kon worden gevraagd. De Hoge Raad bevestigde dat het hof een te strikte eis hanteerde, maar oordeelde dat dit niet tot cassatie mocht leiden omdat de vrouw geen klacht had ingediend tegen de inhoudelijke beslissing van het hof.
De Hoge Raad benadrukte de ratio van voeging en verwijzing in procedures, namelijk het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken en het bevorderen van doelmatigheid. Ook werd opgemerkt dat het hof ambtshalve een verwijzing had kunnen uitspreken indien voeging niet mogelijk was. Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de vrouw geen klacht heeft ingediend tegen de inhoudelijke beslissing van het hof.