ECLI:NL:PHR:2002:AE6330

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/340HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Rechters
  • Hartkamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens schending precontractuele redelijkheid en billijkheid bij afgebroken onderhandelingen over pootgoed

De zaak betreft een geschil tussen partijen over de verkoop van 200 ton pootgoed van het aardappelras "Nicola" uit de oogst 1996. Hoewel er geen overeenkomst tot stand is gekomen, is door de rechtbank vastgesteld dat een bijzondere rechtsverhouding was ontstaan die werd beheerst door redelijkheid en billijkheid. Eiseres heeft haar verplichting geschonden door een aanbieding van verweerster simpelweg af te wijzen zonder opnieuw in onderhandeling te treden, terwijl verweerster erop mocht vertrouwen dat een overeenkomst zou worden gesloten.

De rechtbank heeft eiseres veroordeeld tot schadevergoeding, bestaande uit de prijs die verweerster zou hebben ontvangen, vermeerderd met bewaarkosten en verminderd met de netto-opbrengst uit verkoop aan een derde. Een deskundigenonderzoek werd gelast om de omvang van de schade te bepalen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Eiseres stelde in cassatie diverse klachten in, waaronder dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan het gerechtvaardigd vertrouwen van verweerster en onvoldoende terughoudendheid had betracht bij de toewijzing van het positieve contractsbelang. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het positieve contractsbelang in deze casus vergelijkbaar is met schadevergoeding wegens "lost opportunities". De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en liet het arrest van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd, waarbij eiseres schadevergoeding moet betalen wegens schending van precontractuele redelijkheid en billijkheid.

Conclusie

nr. C00/340
Mr. Hartkamp
zitting 26 april 2002
Conclusie inzake
[eiseres]
tegen
[verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
Feiten en procesverloop
1) Voor de feiten moge ik verwijzen naar het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 28 juli 1998, r.o. 3.1.
In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) aan de verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) schadevergoeding verschuldigd is wegens, kort gezegd, schending van de precontractuele redelijkheid en billijkheid. Partijen zijn met elkaar in contact getreden over de verkoop van 200 ton pootgoed van het aardappelras "Nicola" uit de oogst 1996; dit contact heeft niet tot een overeenkomst geleid, maar wel is er tussen hen een bijzondere, door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding ontstaan; [eiseres] heeft haar verplichting geschonden door een aanbieding van [verweerster] (de verkoopster in spe) simpelweg af te wijzen in plaats van opnieuw met haar in onderhandeling te treden, en dat terwijl [verweerster] erop mocht vertrouwen dat enige overeenkomst in ieder geval zou worden gesloten. De rechtbank heeft het aannemelijk geoordeeld dat bij heropening van de onderhandelingen een overeenkomst zou zijn gesloten tegen de eerder door [eiseres] aangegeven condities (waaronder de marktprijs) en heeft [eiseres] veroordeeld tot vergoeding van de prijs die [verweerster] zou hebben ontvangen (vermeerderd met de gemaakte bewaarkosten en verminderd met de netto opbrengst uit verkoop aan een derde). De rechtbank heeft een deskundigenonderzoek gelast met het oog op de te schatten schade-omvang.
3) Op het door [eiseres] ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 27 juni 2000 dit vonnis bekrachtigd.
4) [eiseres] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en een uit zes onderdelen opgebouwd cassatiemiddel voorgesteld. Partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, waarna [eiseres] heeft gerepliceerd.
Bespreking van het cassatiemiddel
5) Onderdeel 1 stelt voorop dat rechtbank en hof het zogenaamde positieve contractsbelang hebben toegewezen en betoogt dat 's hofs uitspraak onvoldoende gemotiveerd is omdat geen aandacht wordt besteed aan de vraag wanneer bij [verweerster] sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen of aan andere omstandigheden die het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maakten. Onderdeel 2 sluit hierop aan met de klacht dat het hof onvoldoende terughoudendheid heeft betracht in zijn beoordeling van het handelen van [eiseres], althans in de context dat [eiseres] gehouden is de gederfde winst te vergoeden.
Deze klachten falen naar mijn mening, omdat de daarin aan de orde gestelde kwesties, naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, niet door de grieven aan het oordeel van het hof zijn onderworpen(1) en zij niet met vrucht voor het eerst in cassatie aan de orde kunnen worden gesteld.
Ik wijs er nog op dat in deze zaak inderdaad het positieve contractsbelang voor toewijzing vatbaar is geoordeeld, hetgeen in het kader van schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen zeldzaam is, maar dat het positieve contractsbelang in de onderhavige casuspositie niet verschilt van een schadevergoeding wegens "lost opportunities" als onderdeel van het negatieve belang. [verweerster] zou immers bij toewijzing van het negatieve belang recht hebben kunnen doen gelden op de gederfde winst in het contract dat hij, indien hij de partij pootgoed niet voor [eiseres] had gereserveerd, met een derde had kunnen sluiten, en waarin hij normaal gesproken ook de marktprijs had kunnen bedingen. Vgl. Asser-Hartkamp 4-II (2001), nr. 487 (p. 505).
6) Ook de onderdelen 3-6 worden m.i. vruchteloos voorgesteld, omdat het hof de tegen het vonnis opgeworpen grieven op een begrijpelijke (en niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende) wijze heeft behandeld en verworpen en een zaak in cassatie nu eenmaal niet kan worden "overgedaan".
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 De kwestie van het vertrouwen van [verweerster] is door de rechtbank behandeld in r.o. 3.7 en tegen dat gedeelte van die rechtsoverweging heeft [eiseres] geen grief gericht. Vgl. r.o. 4.3 van het bestreden arrest.