ECLI:NL:PHR:2002:AE6403
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking aftrek vooruitbetaalde rente onder artikel 38 lid 6 Wet IB 1964
In deze zaak staat de uitleg van artikel 38, zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 centraal, die de aftrek van vooruitbetaalde rente beperkt. Belanghebbende sloot in februari 1998 een effectenleaseovereenkomst en betaalde toen rente vooruit voor de periode tot januari 2003. Hij bracht een bedrag toe te rekenen aan 1998 als aftrekbaar op zijn aangifte. De inspecteur betwistte dit en stelde dat slechts een maximaal bedrag van fl. 4.000 aftrekbaar was.
Het Hof oordeelde dat de aftrekbeperking alleen ziet op vooruitbetaalde rente die betrekking heeft op perioden die na afloop van het jaar van betaling beginnen, en niet op rente die betrekking heeft op het jaar van betaling zelf. De staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat de wetgever met de aftrekbeperking uitsluitend rente wilde treffen die betrekking heeft op tijdvakken die later eindigen dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de betaling is gedaan. Rente die betrekking heeft op het jaar van betaling zelf valt niet onder deze beperking en blijft aftrekbaar. Dit volgt uit de parlementaire geschiedenis en de systematiek van de Wet IB 1964.
De Hoge Raad wijst erop dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling om een onevenredig zware ingreep in de aftrek van rente binnen de zes-maandsperiode te voorkomen. Ongewenst gebruik buiten deze regeling kan worden bestreden met andere rechtsmiddelen zoals fraus legis. Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; de aftrekbeperking ziet niet op rente die betrekking heeft op het jaar van betaling.