Conclusie
Klacht 1luidt zakelijk weergegeven dat de totale duur van de procedure zodanig is dat niet meer gesproken kan worden van een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
klacht 2voert verdachte aan dat hij is veroordeeld voor "een totaal andere dagvaarding", hetgeen "tot nietigheid van de zaak" dient te leiden. Een toelichting op deze klacht ontbreekt. De klacht, die ik daarom niet als een deugdelijke cassatieklacht kan beschouwen, lijkt te duiden op een klacht over grondslagverlating, maar daarvan is in deze zaak geen sprake. Mogelijk is verdachte het spoor (ook wel eens) bijster: uit de stukken en ambtshalve is mij bekend dat verdachte in de afgelopen jaren meermalen voor zwartrijden met tram danwel trein is vervolgd en veroordeeld. Bij de Hoge Raad zijn behalve deze zaak betreffende dergelijke overtredingen ook bekend de dossiers met de nummers 00597/99 en 00126/00.
Klacht 3komt kortweg hierop neer dat door de Rechtbank niet is gereageerd op de vraag hoe de identificatie van degene die op de in de tenlastelegging bedoelde tijd en plaats zonder geldig vervoerbewijs werd aangehouden, heeft plaatsgevonden.
Klacht 6faalt eveneens en reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag, nu de Rechtbank in hoger beroep ter terechtzitting van 25 februari 2000 dezelfde was als die op 22 september 2000.
klachten 9 en 12kunnen niet als een middel van cassatie worden aangemerkt, nu niet wordt aangegeven waarom de beslissing van de Rechtbank onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn (zie HR 2 maart 1999, NJ 1999, 739, m.nt. JdH).
Klacht 10is niet te ontcijferen en kan derhalve evenmin als een cassatiemiddel worden aangemerkt.
Klacht 11luidt dat de behandeling van het door verdachte in hoger beroep gedane wrakingsverzoek niet correct is verlopen nu de gewraakte rechter daarbij niet aanwezig is geweest.
klacht 13brengt verdachte naar voren dat niet de strafrechter maar de bestuursrechter in deze zaak bevoegd is. Een dergelijk verweer heeft verdachte eerder in één van zijn eerdere zaken, bij de Hoge Raad bekend onder nummer 00597/99, naar voren gebracht, zonder het door hem beoogde resultaat. Ik volsta met een verwijzing naar hetgeen mijn ambtgenoot AG Wortel onder punt 9 van zijn conclusie dienaangaande heeft opgemerkt. De klacht is ondeugdelijk.
Klacht 14luidt dat de processen-verbaal niet door politiebeambten zijn geschreven en daarom niet bruikbaar zijn voor het bewijs (voor het overige bevat deze klacht een herhaling van klacht 3, waarop ik nu niet nogmaals zal ingaan).
Klacht 15houdt in dat verdachte niet het (in art. 311, vierde lid, Sv gegarandeerde) recht van het laatste woord heeft gehad. Verdachte is in hoger beroep weliswaar op tegenspraak, maar buiten zijn aanwezigheid veroordeeld, zodat deze klacht eveneens faalt.