ECLI:NL:PHR:2002:AE7000

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/324HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:35 BWArt. 6:74 BWArt. 150 RvArt. 177 Rv (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen geldige koopovereenkomst door verschil in koopprijs en misverstand tussen partijen

In deze zaak stond centraal of tussen partijen een geldige koopovereenkomst tot stand was gekomen over een kotter genaamd Barcarolle. Partijen waren het eens over overdracht, maar verschilden over de koopprijs: eiser stelde f 110.000,-, verweerder f 85.000,-. Verweerder betaalde termijnen en verkocht het schip aan een derde.

De rechtbank en het hof oordeelden dat een geldige koopovereenkomst bestond, waarbij het hof zich baseerde op een wettelijk vermoeden dat verweerder's stellingen juist waren. Eiser ging in cassatie en betwistte het bestaan van dit vermoeden en de uitleg van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld over het vermeende wettelijke vermoeden en dat het bewijs voor de koopprijs onvoldoende was. Er was sprake van een misverstand tussen partijen over de koopprijs, waardoor geen geldige koopovereenkomst was gesloten. Verweerder is tekortgeschoten door het schip aan een derde te verkopen en is schadeplichtig.

De zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag voor verdere afwikkeling. De Hoge Raad veroordeelde verweerder in de kosten.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en oordeelt dat geen geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen, verwijst zaak terug voor nader onderzoek.

Conclusie

Rolnummer C 00/324
Mr. Bakels
Zitting 21 juni 2002
Conclusie inzake
[Eiser]
t e g e n
[Verweerder]
(niet verschenen)
1. Feiten en procesverloop
1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot een schip.
1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(1)
(a) In of omstreeks 1978/1979 zijn partijen overeengekomen dat [verweerder] het aan [eiser] in eigendom toebehorende schip, een kotter van het type Banjer met de naam Barcarolle, mocht gebruiken onder voorwaarde dat [verweerder] het liggeld, de verzekeringspremie en de onderhoudskosten van het schip voor zijn rekening zou nemen.
(b) Vanaf maart 1990 hebben partijen onderhandeld over de verkoop van het schip door [eiser] aan [verweerder]. In mei 1990 hebben partijen, naar zij toen meenden(2), overeenstemming bereikt over deze verkoop, met dien verstande dat - naar later bleek - volgens [eiser] een koopsom was afgesproken van f 110 000,- en volgens [verweerder] van f 85 000,-. Partijen zijn overeengekomen dat de koopprijs in termijnen door [verweerder] zou worden betaald.
(c) [Verweerder] heeft drie termijnbetalingen aan [eiser] verricht tot in totaal f 86 286,90. Het verschil met de naar zijn mening overeengekomen koopsom valt te verklaren uit het feit dat deze betalingen van buitenlandse rekeningen zijn gedaan, waardoor een omrekening in Nederlandse valuta moest plaatsvinden.
(d) Op 22 december 1994 heeft [verweerder] het schip aan een derde verkocht voor een bedrag van f 115 000,-.
1.3 Nadat op verzoek van [eiser] een voorlopig getuigenverhoor was gehouden voor de rechtbank Amsterdam, waarin uitsluitend partijen als getuigen zijn gehoord, heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij diezelfde rechtbank. Hij vorderde, kort gezegd, dat [verweerder] zou worden veroordeeld het schip met toebehoren feitelijk aan hem over te dragen tegen restitutie van het totale door laatstgenoemde aan hem betaalde bedrag. [Eiser] legde aan deze vordering ten grondslag dat tussen partijen, bij gebreke van overeenstemming over de hoogte van de koopprijs, geen rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen, terwijl de overeenkomst van bruikleen met betrekking tot het schip inmiddels is beëindigd.
1.4 [Verweerder] heeft voor alle weren de onbevoegdheid van de rechtbank Amsterdam ingeroepen. Hij is in twee instanties in het ongelijk gesteld. Vervolgens heeft hij in de hoofdzaak verweer gevoerd, dat erop neerkwam dat tussen partijen wel degelijk een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen op basis van de door hem gestelde prijs van f 85 000,-. Hij voerde bovendien aan dat hij het schip inmiddels aan een derde heeft verkocht, zodat feitelijke afgifte onmogelijk is geworden.
1.5 Nadat [eiser] op grond van laatstgenoemd verweer zijn vordering heeft vermeerderd met een subsidiaire vordering tot schadevergoeding, heeft de rechtbank op 22 september 1999 de vordering afgewezen. Zij overwoog daartoe in de kern(3):
"Nu partijen zich over en weer op het standpunt stellen dat in mei 1990 een koopprijs is overeengekomen, vaststaat dat deze koopprijs of f 110 000,- bedraagt of f 85 000,-, en door [eiser] niet is gesteld - noch overigens is gebleken - dat het meningsverschil over de koopprijs is terug te voeren op een misverstand tussen partijen, moet het hiervoor worden gehouden dat sprake is van een geldige koopovereenkomst."
De rechtbank zag evenmin grond tot toewijzing van de vordering tot afgifte van drie stuks scheepsinventaris.
1.6 [Eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Amsterdam. [Verweerder] voerde verweer.
Bij arrest van 10 augustus 2000 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
1.7 Tegen dit arrest is [eiser] tijdig in cassatie gekomen.(4) Hij voerde daartoe twee middelen aan die in totaal uit vijftien onderdelen bestaan. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. [Eiser] heeft zijn standpunt vervolgens door zijn advocaat schriftelijk doen toelichten.
2. Bespreking van de middelen
2.1 Het hof heeft zijn oordeel, dat de grieven tegen de totstandkoming van de gestelde koopovereenkomst moesten worden verworpen, gebaseerd op de volgende overweging:
"4.2 Op grond van de in deze zaak vastgestelde feiten en in het bijzonder de feiten zoals deze in het bestreden vonnis onder 1, b en c, zijn weergegeven, bestaat het wettelijke vermoeden dat partijen een koopovereenkomst hebben gesloten in de door [verweerder] gestelde zin en op de door deze gestelde voorwaarden. Het lag dan op de weg van [eiser] voldoende redengevende feiten of omstandigheden te stellen en te bewijzen aan te bieden die tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven. Dat heeft hij nagelaten.
Het oordeel moet derhalve zijn dat in rechte uitgegaan dient te worden van de juistheid van het door [verweerder] gestelde.
De grieven (I - III) falen dus."
2.2 Middel I, waarvan alle onderdelen tegelijkertijd kunnen worden behandeld, voert hiertegen in de kern aan dat het onbegrijpelijk is op welk wettelijk vermoeden het hof in deze overweging het oog heeft en waarop dit vermoeden is gebaseerd. Volgens het middel is het eveneens onbegrijpelijk waarom de door de rechtbank onder 1, b en c vastgestelde feiten, tot dit vermoeden kunnen bijdragen.
2.3 Ik acht het middel gegrond. Ook mij is niet duidelijk op welk wettelijke vermoeden het hof doelt.(5) En ook ik kan deze overweging niet rijmen met de verwijzing naar hetgeen door de rechtbank in haar vonnis onder 1, b en c is vastgesteld.
Voor het geval het hof niet een wettelijk, maar een rechterlijk vermoeden op het oog zou hebben gehad(6) (van de juistheid van de stellingen van [verweerder]), merk ik op dat uit de omstandigheden (i) dat partijen meenden het eens te zijn geworden over de koopprijs en (ii) dat [verweerder] het in zijn visie verschuldigde bedrag (in termijnen) aan [eiser] heeft voldaan(7), zonder toelichting die ontbreekt, bezwaarlijk een vermoeden valt af te leiden van de juistheid van de stellingen van [verweerder]. Uit die laatste omstandigheid valt ten hoogste een vermoeden af te leiden dat [verweerder] inderdaad meende slechts tot betaling van f 85 000,- te zijn gehouden. Combineert men dit met de eerstgenoemde omstandigheid, dan brengt mij dit geen stap verder in de door het hof aangenomen richting.
2.4 Misschien heeft het hof zich laten (mis)leiden door de formulering van het door de rechtbank onder 1b vastgestelde feit.(8) In dat geval zou het naar mijn mening een onbegrijpelijke uitleg hebben gegeven aan deze overweging. Weliswaar bevat het middel hierover geen klacht, maar daarop behoeft het niet te struikelen omdat het hof nu eenmaal niet een rechterlijk vermoeden, maar een wettelijk vermoeden aanwezig heeft geacht en die overweging - zoals gezegd - m.i. onbegrijpelijk is.
2.5 Nu middel I slaagt, geldt hetzelfde voor middel II, dat 's hofs beslissing over de drie tot de scheepsinventaris behorende artikelen aanvalt. Aan die beslissing ligt immers (mede) het oordeel ten grondslag dat omtrent het schip zelf een geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen.
2.7 De Hoge Raad kan de zaak helaas niet zelf afdoen. Weliswaar is de primaire vordering niet toewijsbaar omdat de feitelijke afgifte van het schip voor [verweerder] onmogelijk is, gezien de verkoop daarvan, maar de hoogte van de subsidiaire vordering is door [verweerder] betwist, waarvoor nader onderzoek nodig is.
2.8 Om partijen te helpen deze betrekkelijke bagatelzaak waar mogelijk(9) alsnog in der minne te regelen, merk ik ten overvloede nog het volgende op. Naar mijn mening heeft [eiser] in hoger beroep met grief II terecht aangevoerd dat rov. 5 van het door de rechtbank gewezen vonnis niet kan worden gevolgd. Uit het feit dat beide partijen aanvankelijk meenden dat tussen hen een koopovereenkomst was gesloten, in samenhang met de omstandigheid dat naderhand is gebleken dat ieder van hen toentertijd een andere voorstelling had over de hoogte van de koopsom, kan immers niet volgen dat sprake is van een geldige koopovereenkomst.(10) Nu [eiser] zich op het standpunt stelt dat, bij gebreke van overeenstemming over de koopprijs, tussen partijen geen geldige overeenkomst tot stand is gekomen en [verweerder] het tegendeel betoogt, brengt art. 150 Rv Pro (177 Rv (oud)) mee dat laatstgenoemde daarvan de bewijslast draagt. Voor het leveren van dat bewijs is [verweerders] eigen verklaring als partijgetuige ten enen male onvoldoende, reeds(11) omdat hij daarin hoofdzakelijk uiteenzet op grond waarvan bij hem de veronderstelling, dan wel overtuiging is ontstaan dat tussen partijen overeenstemming was bereikt over een koopprijs van f 85 000,-. In de verklaring is niet of nauwelijks sprake van omstandigheden op grond waarvan [verweerder] mocht aannemen dat bij zijn wederpartij diezelfde veronderstelling, dan wel overtuiging was ontstaan. Ander bewijs ontbreekt. Naar mijn mening kan [verweerder] zich ook niet met succes op art. 3:35 BW Pro beroepen. Beide partijen hebben te gemakkelijk en zonder daarnaar navraag te doen, aangenomen dat de ander de eigen interpretatie over de bereikte 'overeenstemming' deelde. Voorts zijn geen omstandigheden komen vast te staan op grond waarvan het redelijk is het feit dat partijen langs elkaar heen hebben gepraat, voor risico van [eiser] te laten komen.(12) Het lijkt mij dus dat [eiser] met recht stelt dat tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Dit betekent dat het schip door [verweerder] dient te worden teruggegeven aan [eiser]. Door de verkoop daarvan aan een derde is hij daartoe echter niet meer in staat, zodat hij tekortschiet in de nakoming van deze verplichting. Deze tekortkoming is aan hem toerekenbaar omdat die verkoop heeft plaatsgevonden nadat hem was gebleken dat [eiser] zich op het standpunt stelde dat tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand was gekomen. Door niettemin tot verkoop van dat schip aan een derde over te gaan, nam [verweerder] welbewust het risico dat achteraf zou blijken dat hij daartoe niet het recht had. Hij is dus op voet van art. 6:74 BW Pro schadeplichtig tegenover [eiser]. Over de verdere afwikkeling van hun geschil moeten partijen het met enige goede wil buiten rechte eens kunnen worden.
3. Conclusie
Deze strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, met verwijzing van de zaak naar het hof Den Haag en met veroordeling van [verweerder] in de kosten.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Deze feiten, waarvan ook het hof is uitgegaan, zijn ontleend aan rov. 1 van het hierna te noemen vonnis van de rechtbank Amsterdam.
2 De rechtbank overwoog letterlijk en in hoger beroep onbestreden: "In mei 1990 zijn partijen het eens geworden over de overdracht van de Barcarolle aan [verweerder] (...)".Gezien het vervolg van deze overweging en gelet op de inhoud van de in voorlopig getuigenverhoor door beide partijen afgelegde verklaringen, meen ik haar te mogen verstaan zoals boven aangegeven.
3 Rov. 5.
4 De cassatiedagvaarding dateert van 9 november 2000.
5 Zie over wettelijke vermoedens Monografie Nieuw BW A -24 (Asser), nr. 16.
6 Waarover Monografie Nieuw BW A -24 (Asser), nr. 19.
7 De onder (i) en (ii) genoemde omstandigheden zijn die, welke in het bestreden vonnis onder 1, b en c, zijn weergegeven, met de daarbij in noot 2 van deze conclusie gemaakte kanttekening.
8 Waarover voetnoot 2 van deze conclusie.
9 [Eiser] heeft blijkens de stukken (producties 6 en 7 bij de conclusie van dupliek, door [verweerder] in het geding gebracht), tot twee keer toe buiten rechte een aanbod gedaan het geschil in der minne te schikken door het verschil tussen de door beide partijen verdedigde bedragen te delen. [Verweerder] is hierop blijkbaar niet ingegaan.
10 De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat niet is gesteld of gebleken dat het meningsverschil over de koopprijs is terug te voeren op een misverstand. Ook deze overweging wordt mijns inziens terecht aangevallen door grief II omdat in de stellingen van [eiser] nu juist van meet af aan besloten ligt dat partijen elkaar wel degelijk hebben misverstaan, ook al heeft hij dat 'etiket' in eerste aanleg niet met zoveel woorden op zijn stellingen geplakt.
11 Nog afgezien van het in deze zaak niet ingeroepen art. 164 lid 2 Rv Pro (art. 213 Rv Pro (oud)).
12 Ik verwijs daartoe naar de uiteenzettingen in Asser/Hartkamp II, 2001, 103-106 (dubbele grondslag), 110-111 (wanneer is sprake van gerechtvaardigd vertrouwen dat iemands verklaring overeenstemt met zijn wil), 113 (het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil leidt, zo de wederpartij zich niet met succes op art. 3:35 kan Pro beroepen, in beginsel tot nietigheid van de rechtshandeling) en 121 (de verklaring is niet duidelijk genoeg of wordt verkeerd opgevat; een overeenkomst komt tot stand als het misverstand is te wijten aan een partij die zich onduidelijk of dubbelzinnig uitte of aan een verklaring een onjuiste betekenis heeft gehecht door hem toerekenbare omstandigheden). Zie voorts onder meer Nieuwenhuis, Drie beginselen van contractenrecht, blz. 81-93. Op blz. 86 onder b bespreekt hij het geval dat geen van beide partijen van het misverstand een verwijt valt te maken en er evenmin omstandigheden zijn die het redelijk maken dat het misverstand voor risico van één van het komt.