ECLI:NL:PHR:2002:AE7012

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/003HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 256 RvArt. 416 RvArt. 45 RvArt. 418 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieprocedure bij verlies hoedanigheid advocaat tijdens procedure

Verzoekster heeft beroep in cassatie ingesteld tegen vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Tijdens de procedure is gebleken dat haar advocaat, mr. Koningen, op 15 december 2000 zijn praktijk heeft neergelegd en van het tableau is geschrapt. Hierdoor verloor hij zijn hoedanigheid als advocaat.

De Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba verwijst voor burgerlijke zaken naar de Nederlandse wetgeving, maar bevat geen specifieke regeling voor het verlies van de hoedanigheid van de advocaat tijdens cassatie. De Hoge Raad concludeert daarom dat de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) van toepassing zijn.

Volgens art. 254 lid 4 en Pro art. 256 lid 2 Rv Pro. (oud) wordt het geding geschorst bij het verlies van de betrekking van de procureur, tenzij het geding in staat van wijzen verkeert. Omdat de procedure op 15 december 2000 nog niet in staat van wijzen was, is het cassatiegeding vanaf die datum van rechtswege geschorst.

Verder merkt de conclusie op dat het ontbreken van een procesdossier van verzoekster problematisch is, maar dit doet niet af aan de schorsing van de procedure. De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal verstaan dat de procedure met ingang van 15 december 2000 van rechtswege is geschorst.

Uitkomst: De cassatieprocedure is van rechtswege geschorst vanaf 15 december 2000 vanwege het verlies van de hoedanigheid van de advocaat.

Conclusie

Rek.nr. R00/003
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 6 september 2002
Conclusie inzake:
[Verzoekster=eiseres]
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerster 2]
3. [Verweerder 3]
1. Het procesverloop
1.1 Verzoekster tot cassatie, [eiseres], heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 12 januari 2000, beroep in cassatie ingesteld tegen de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 1 juni 1999 en 12 oktober 1999. Het verzoekschrift is ondertekend door mr. D. Koningen, advocaat bij de Hoge Raad.
1.2 Bij aangetekende brieven van 17 januari 2000 en 1 februari 2000 heeft de griffie verweerders in cassatie een afschrift van het verzoekschrift van [eiseres] gestuurd met de mededeling dat zij uiterlijk tot en met 17 april 2000 een verweerschrift konden indienen.
1.3 Verweerders in cassatie hebben geen verweerschrift ingediend.
1.4 Op de voor het nemen van schriftelijke toelichting bepaalde dag, te weten 9 februari 2001 is namens [eiseres] geen schriftelijke toelichting genomen en is ook niet gefourneerd. Met ingang van die datum is de zaak van de rol gevoerd.
1.5 De griffie van de Hoge Raad heeft op 16 mei 2001, 27 september 2001, 2 oktober 2001 en op 29 november 2001 tevergeefs telefonisch contact gezocht met mr. Koningen om hem te vragen het procesdossier in te leveren.
2. Beoordeling
2.1 Uit ingewonnen inlichtingen is gebleken dat mr. Koningen met ingang van 15 december 2000 zijn praktijk heeft neergelegd en van het tableau is geschrapt.
2.2 Art. 1 van Pro de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba (Rijkswet van 20 juli 1961, Stb. 212) bepaalt dat de Hoge Raad ten aanzien van burgerlijke zaken, voor zover in deze Rijkswet niet anders is bepaald, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke zaken in Nederland, kennis neemt van een beroep in cassatie. In de Cassatieregeling is geen bepaling opgenomen over het verlies van de hoedanigheid van de advocaat. Overeenkomstig de in art. 1 opgenomen Pro hoofdregel dient dit cassatieberoep derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dat gold tot 1 januari 2002.
2.3 De Elfde titel van Boek I van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft in art. 416 Rv Pro. (oud) een voorschrift voor de wijze van vervanging en onttrekking van een advocaat tijdens de cassatieprocedure(1). Noch deze noch enig andere bepaling in de elfde titel geeft een regeling voor het onderhavige geval waarin de advocaat die hoedanigheid in de loop van de cassatieprocedure verliest.
2.4 Ten aanzien van de procedure in de feitelijke instanties regelen de art. 254 onder Pro 4 en art. 256 Rv Pro. (oud) het geval dat de gestelde procureur zijn betrekking verliest. In de Elfde Titel is geen schakelbepaling opgenomen die verwijst naar deze bepalingen. In de literatuur wordt evenwel aangenomen dat art. 254 sub Pro 4 ook geldt voor de cassatieprocedure(2).
Ik zou mij daarbij willen aansluiten.
2.5 Art. 254 onder Pro 4 bepaalt dat het geding wordt geschorst door de dood of door het verlies van de betrekking van de gestelde procureur. Onder het 'verlies van de betrekking' dient het verliezen van de hoedanigheid van procureur door schrapping van het tableau te worden begrepen(3). De schorsing vindt van rechtswege plaats tenzij het geding in staat van wijzen verkeert (art. 256 lid 1 en Pro 2)(4). Nu de datum voor schriftelijke toelichting was bepaald op 9 februari 2001, was het geding op 15 december 2000 nog niet in staat van wijzen.
2.6 Voor het onderhavige geval brengt art. 254 sub Pro 4 in verbinding met art. 256 lid 2 Rv Pro. (oud) mee, dat door het schrappen van mr. Koningen van het tableau op 15 december 2000 het cassatiegeding met ingang van die datum van rechtswege is geschorst.
2.7 Hoewel mijn conclusie ertoe strekt dat de Hoge Raad zal verstaan dat de procedure met ingang van 15 december 2000 van rechtswege is geschorst, maak ik nog een korte opmerking over het in deze zaak ontbrekende procesdossier van eiseres.
2.8 In de Cassatieregeling is geen bepaling opgenomen over het fourneren van stukken.
Ook hier geldt derhalve de Nederlandse cassatieregeling. Dat in dagvaardingzaken in cassatie een fourneerplicht geldt, kan worden afgeleid uit art. 45 en Pro de art. 418 en Pro 419 lid 2 Rv. (oud). Naar analogie van HR 19 maart 1993, NJ 1993, 303 meen ik dat de Hoge Raad [eiseres] niet-ontvankelijk zou moeten verklaren in haar cassatieberoep wegens het niet overleggen van haar procesdossier, wanneer de advocaat in deze procedure niet van het tableau zou zijn geschrapt. Het geval van HR 12 februari 1988, NJ 1988, 874 doet zich hier niet voor, nu verweerders in cassatie niet zijn verschenen en er dus geen enkel procesdossier is overgelegd.
3. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal verstaan dat de procedure met ingang van 15 december 2000 van rechtswege is geschorst.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Zie bijv. HR 24 juni 1977, NJ 1978, 211 m.nt. WHH.
2 Zie Burgerlijke Rechtsvordering, Mollema, afdeling 12 Boek I Titel 3, aant. 7 met verwijzing naar Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nr. 146, welke paragraaf handelt over de toepassing van algemene rechtsbeginselen die zijn gecodificeerd voor de lagere instantie maar niet uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaard in de elfde titel.
3 Burgerlijke Rechtsvordering, Mollema, art. 254, aant. 13; zie ook de conclusie van A-G Franx vóór HR 7 maart 1980, NJ 1980, 535.
4 Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering, Mollema, art. 254, aant. 11 en 13; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 19e druk, 1998, nr. 155.