ECLI:NL:PHR:2002:AE7253

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/023HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:160 BWArt. 426 lid 1 RvArt. VII lid 2 Wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onderhoudsbijdrage na echtscheiding ondanks nieuwe partner vrouw

De zaak betreft een geschil over de hoogte van de onderhoudsbijdrage die de man aan zijn ex-echtgenote moet betalen na hun echtscheiding. De vrouw vorderde een bijdrage van 2.500 gulden per maand, stellende dat zij niet volledig in eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank wees dit toe, waarna de man hoger beroep instelde met een lager bedrag als eis.

Het hof stelde de bijdrage vast op 1.364 euro per maand, rekening houdend met het feit dat de vrouw een eenoudergezin vormt en dat haar nieuwe partner geen bijdrage levert in haar kosten. De man stelde in cassatie dat de bijdrage van de nieuwe partner wel in aanmerking genomen moest worden, wat volgens hem de onderhoudsbehoefte van de vrouw zou verminderen.

De Hoge Raad oordeelde dat uit het proces-verbaal blijkt dat de vrouw verklaarde dat haar nieuwe partner niet bijdraagt in haar kosten en dat de man dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarom faalt het cassatiemiddel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het cassatieberoep wordt verworpen zonder dat verdere rechtsvragen hoeven te worden beantwoord.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de onderhoudsbijdrage van 1.364 euro per maand blijft gehandhaafd.

Conclusie

Rekest R02/023
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 3 september 2002
Conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Inleiding
1. Partijen, verder: de man en de vrouw, zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn gehuwd op 21 december 1981; het huwelijk is op 23 november 2000 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 juli 2000 in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk zijn twee kinderen (op 1 januari 1987 op 24 december 1988) geboren die samen met de vrouw wonen in de voormalige echtelijke woning. De vrouw heeft een relatie met een nieuwe vriend. De man heeft een nieuwe partner; hij woont samen met zijn nieuwe partner en haar twee kinderen. Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen; de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is nog niet tot stand gebracht.
2. De vrouw heeft bij dit geding inleidend verzoekschrift onder meer verzocht om een bijdrage in haar levensonderhoud van f 2.500,- per maand, stellende dat zij niet in staat is volledig in eigen levensonderhoud te voorzien. De man is in eerste aanleg niet verschenen.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 19 juli 2000 de man (onder meer) veroordeeld tot betaling van het door de vrouw verzochte bedrag.
3. De man heeft hoger beroep ingesteld. Hij heeft verzocht de door hem ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage te bepalen op f 1000,- per maand tot het moment waarop de voormalige echtelijke woning zal zijn verkocht dan wel aan hem zal zijn toegescheiden en te bepalen op nihil voor de periode daarna.
De vrouw heeft verweer gevoerd en tevens incidenteel appèl ingesteld met het verzoek de door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage voor de periode totdat de voormalige echtelijke woning zal zijn verkocht te bepalen op f 2.998,- bruto per maand en voor de periode daarna op f 3.996,- bruto per maand.
4. Ter zitting van het Hof is namens de man (pleitnota p. 1 en 2) onder meer aangevoerd dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, althans een minder grote behoefte dan door haar gesteld. In dat verband is betoogd dat bij het bepalen van de behoefte van de vrouw rekening moet worden gehouden met het feit dat de vrouw veel van haar tijd verblijft met en bij haar nieuwe partner "ook al geldt dit wellicht niet als een samenleving als ware zij gehuwd".
Namens de vrouw is ter zitting verklaard (proces-verbaal van verhoor op verzoekschrift, p. 3) dat de vrouw niet samenwoont met haar nieuwe partner, dat deze nieuwe partner niet bijdraagt in haar kosten doch dat ieder zijn eigen lasten draagt en dat de vrouw geen enkele besparing geniet doordat zij een nieuwe partner heeft. Voorts heeft de raadsman van de vrouw verklaard dat hij de voorzitter hoort zeggen dat de man, naar 's Hofs oordeel, geen beroep doet op art. 1:160 BW Pro doch uitsluitend stelt dat de vrouw minder behoefte heeft.
5. Uit de beschikking van het Hof blijkt dat partijen na de behandeling ter zitting - zoals bij die behandeling afgesproken - nog stukken aan het Hof hebben gezonden en dat zij daarop over en weer schriftelijk hebben gereageerd. Deze stukken zijn in cassatie niet overgelegd.
6. Het Hof heeft bij beschikking van 24 januari 2002 de bestreden beschikking, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 23 november 2000 bepaald op 1.364 euro per maand. Het Hof nam daarbij onder meer in aanmerking dat ten aanzien van de vrouw is gebleken dat zij met de kinderen van partijen een éénoudergezin vormt (rechtsoverweging 2.4); het Hof overwoog voorts dat een bijdrage in voormelde omvang, de fiscale consequenties daarvan mede in aanmerking genomen, in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven en dat de vrouw daardoor ten opzichte van de man niet wordt bevoordeeld, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat door haar relatie met haar nieuwe vriend voor haar enige besparing op haar kosten van levensonderhoud kan zijn ontstaan (rechtsoverweging 3.8).
7. De man heeft cassatieberoep ingesteld binnen de termijn van drie maanden van art. 426 lid 1 Rv Pro. dat hier van toepassing is gezien de overgangsbepaling van art. VII lid 2 van de Wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 2001, 580). De man heeft zich in zijn cassatieverzoekschrift het recht voorbehouden zijn middel aan te vullen en uit te breiden na kennisneming van de inhoud van het proces-verbaal van het door het Hof gehouden verhoor op verzoekschrift; hij heeft van dat recht geen gebruik gemaakt naar mij bij navraag ter civiele administratie is gebleken.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
Het cassatiemiddel
8. De in het middel vervatte klachten zijn gericht tegen de hiervoor verkort weergegeven rechtsoverwegingen 2.4 en 3.8 van de bestreden beschikking. Aan het middel ligt de veronderstelling ten grondslag dat ervan moet worden uitgegaan dat de nieuwe partner/vriend van de vrouw een bijdrage levert in de kosten van het huishouden van de vrouw; daartoe wordt aangevoerd dat immers ter zitting van het Hof aan de orde is geweest dat de nieuwe partner van de vrouw een bijdrage in bedoelde kosten levert. Ervan uitgaande dat de nieuwe partner van de vrouw een zodanige bijdrage levert, wordt betoogd dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip éénoudergezin en dat onbegrijpelijk is waarom het Hof van oordeel is dat bedoelde bijdrage niet zou moeten leiden tot de conclusie dat de vrouw in mindere mate alimentatiegerechtigd is dan zonder deze bijdrage.
9. Uit het proces-verbaal van verhoor op verzoekschrift noch uit de aan dat proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen blijkt dat ter zitting door de man is gesteld dat de nieuwe partner van de vrouw een bijdrage levert aan de kosten van het huishouden van de vrouw, laat staan dat ter zitting aannemelijk zou zijn geworden dat een dergelijke bijdrage ook wordt geleverd: namens de vrouw is ter zitting betoogd dat haar partner niet bijdraagt in haar kosten. Het middel faalt dan ook reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.
10. Het vorenstaande leidt mij tot de slotsom dat het cassatieberoep moet worden verworpen en dat het middel niet noopt tot beantwoording van vragen die voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling van belang zijn.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden