ECLI:NL:PHR:2002:AE7347
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verjaring vordering overwerktoeslag ondanks onjuiste mededelingen werkgever
In deze zaak vorderde eiser betaling van een overwerktoeslag over de periode juli 1993 tot december 1994, gebaseerd op een afroepcontract en de toepasselijke CAO. Eiser stelde dat hij herhaaldelijk om betaling had verzocht, maar dat verweerster hem steeds onjuist had medegedeeld dat hij geen recht had op deze toeslag. Hierdoor zou de verjaringstermijn verlengd moeten worden op grond van artikel 3:321 lid 1 sub f BW Pro.
De rechtbank en het gerechtshof oordeelden dat de vordering grotendeels was verjaard omdat eiser niet tijdig schriftelijk had aangemaand en dat het doen van onjuiste mededelingen door de werkgever niet gelijkstaat aan het opzettelijk verzwijgen van de schuld. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat het opzettelijk doen van onjuiste mededelingen geen verborgen karakter heeft en daarom niet leidt tot verlenging van de verjaringstermijn.
Voorts werd geoordeeld dat de vergoeding voor overwerk als loon naar tijdruimte moet worden gekwalificeerd, waardoor de opeisbaarheid en verjaring volgens de relevante loonbetalingsartikelen in het BW moet worden beoordeeld. Het beroep op verjaring werd niet onaanvaardbaar geacht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede omdat eiser de mogelijkheid had om de juistheid van de mededelingen van de werkgever te laten toetsen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de verjaring van de vordering, ondanks de onjuiste mededelingen van de werkgever.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering tot betaling van overwerktoeslag grotendeels is verjaard en wijst het cassatieberoep af.