ECLI:NL:PHR:2002:AE7374
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voortgezet verblijf op grond van gevaar door schizofrene stoornis ondanks deskundigenrapport
Betrokkene werd op grond van de Wet Bopz opgenomen en werd een machtiging tot voortgezet verblijf verleend door de rechtbank. Betrokkene ontkende ziek te zijn en stelde dat cognitieve gedragstherapie een alternatief voor medicatie kon zijn. Een onafhankelijke psychiater stelde echter vast dat betrokkene leed aan een schizofrene stoornis, dat er momenteel geen gevaar was, maar dat medicatie noodzakelijk bleef en cognitieve gedragstherapie slechts aanvullend kon zijn.
De rechtbank achtte ondanks het deskundigenrapport het gevaar aanwezig dat betrokkene zou stoppen met medicatie, wat zou leiden tot zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang, zoals in het verleden was gebleken. Betrokkene stelde dat dit onvoldoende was gemotiveerd, maar de Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank haar oordeel begrijpelijk had gemotiveerd en dat de feitelijke waardering van het gevaar niet in cassatie kan worden getoetst.
De Hoge Raad wees ook op het belang van een onafhankelijke deskundige en dat eerdere machtigingen niet uitsluitend op behandelaarsinformatie waren gebaseerd. De klachten over onduidelijkheid over het begrip maatschappelijke teloorgang en het gevaar bij het staken van medicatie werden eveneens verworpen. Het cassatieberoep werd verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf blijft in stand.