ECLI:NL:PHR:2002:AE7656
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schadeloosstelling en rentevergoeding bij onteigening winkelruimte
In deze zaak stond de schadeloosstelling aan een huurster van een winkelruimte centraal na vervroegde onteigening door de gemeente. De Rechtbank Den Haag had een voorschot en een definitieve schadeloosstelling vastgesteld, waarbij rekening werd gehouden met liquidatieverlies en een korting wegens voortgezet gebruik om niet. De huurster ontving rente over het verschil tussen voorschot en uiteindelijke schadeloosstelling.
De gemeente stelde cassatieberoep in tegen de hoogte van de schadeloosstelling en de rentevergoeding. Zij betoogde onder meer dat de huurster geen rentevergoeding zou moeten ontvangen omdat zij het gebruik van de onteigende zaak om niet voortzette en dus geen schade leed vanaf de datum van inschrijving van het onteigeningsvonnis. Tevens voerde zij aan dat de rechtbank onvoldoende zelfstandig had gemotiveerd en te zeer op deskundigenrapporten had geleund.
De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank terecht de deskundigenrapporten als haar eigen oordeel heeft aangenomen en dat het feit dat de huurster voortgezet gebruik maakte van de onteigende zaak om niet, niet uitsluit dat zij recht heeft op rentevergoeding over het verschil tussen voorschot en schadeloosstelling. De rentevergoeding is gerechtvaardigd omdat de schadeloosstelling contant moet worden gemaakt naar de datum van inschrijving en het voordeel van voortgezet gebruik reeds in de schadeloosstelling is verdisconteerd. Het cassatieberoep van de gemeente werd verworpen, evenals het incidentele beroep van de huurster.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de Onteigeningswet bij voortgezet gebruik door huurders en de wijze van berekening van rentevergoeding over voorschotten op schadeloosstelling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de gemeente werd verworpen en de schadeloosstelling met rentevergoeding aan de huurster bevestigd.