ECLI:NL:PHR:2002:AE7843

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1349
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 210 lid 3 Lw.Art. 211 Lw.Art. 214 Lw.Art. 216 Lw.Art. 174 Lw.
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en verwijzing geschil over landinrichtingskosten en recht van weg

Eiseres is betrokken bij de ruilverkaveling Hefshuizen en eigenaar van een woonboerderij waarvan de toegangsroute is aangepast. Door de ruilverkaveling kan zij geen gebruik meer maken van een 840 meter lange reed over buurmans grond naar de openbare weg, maar kreeg een kortere reed over eigen grond. Tevens verviel een recht van overpad en werd een servituut verlegd. De Landinrichtingscommissie stelde een lijst der geldelijke regelingen op, waarbij eiseres een bedrag van ƒ 22.789 werd opgelegd, bestaande uit overbedeling, opheffing recht van weg en basiskosten voor gewijzigde ontsluiting.

Eiseres maakte bezwaar tegen deze kosten, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het proces-verbaal van aanwijzingen (PvA) juist was toegepast en dat de gewijzigde ontsluiting kwalitatief gelijkwaardig was. Eiseres stelde in cassatie onder meer dat zij onterecht niet werd gecompenseerd voor het vervallen van een erfdienstbaarheid waarbij haar erf als heersend erf fungeerde.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank over het onbegrip van eiseres' veronderstelling begrijpelijk was, maar dat het feit dat zij niet werd gecompenseerd voor het vervallen van haar eigen recht van overpad onjuist en onvoldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad concludeert dat het middel slaagt en vernietigt het vonnis, verwijzend de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof.

Conclusie

Nr. 1349
Derde Kamer B
Landinrichting
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
MR. J.W. ILSINK
ADVOCAAT-GENERAAL
CONCLUSIE van 17 mei 2002 inzake:
[eiseres]
tegen
DE LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING HEFSHUIZEN
1. Feiten en procesverloop
1.1. Eiseres tot cassatie [eiseres] (hierna: [eiseres]) is betrokken in de ruilverkaveling Hefshuizen. [eiseres] is eigenares van een woonboerderij nabij [woonplaats]. De toegangsroute naar haar boerderij is bij deze ruilverkaveling aangepast. Door de ruilverkaveling kan [eiseres] geen gebruik meer maken van een 840 meter lange reed over buurmans grond naar de [a-straat]. Zij heeft hiervoor in de plaats de beschikking gekregen over een 100 meter lange reed over eigen grond naar de in het kader van de ruilverkaveling aangelegde [b-straat]. Voorts is een recht van overpad naar de [a-straat] over haar grond vervallen, is een ten gunste van een energiebedrijf op haar grond gevestigd servituut verlegd en heeft aan de noordzijde van haar eigendom een voor haar positieve grenscorrectie plaatsgevonden.
1.2. De Landinrichtingscommissie in de ruilverkaveling Hefshuizen (hierna: de LC) heeft op de voet van art. 211 Landinrichtingswet Pro (hierna: Lw.) de lijst der geldelijke regelingen (hierna: LGR) opgemaakt. Daarbij is aan [eiseres] in totaal een bedrag van ƒ 22.789 in rekening gebracht. Dit bedrag is samengesteld uit een bedrag van ƒ 2.789 wegens overbedeling, een bedrag van ƒ 5.000 wegens opheffing van een recht van weg en een bedrag van ƒ 15.000 aan basiskosten (75 punten x ƒ 200 per punt) in verband met de gewijzigde ontsluiting van het perceel van [eiseres]. Er is voorts een korting verleend van ƒ 179, die hier verder buiten beschouwing kan blijven.
1.3. Op 26 juni 2000 heeft [eiseres] bezwaren tegen de LGR ingediend (art. 214 Lw Pro.). Blijkens een proces-verbaal opgemaakt door de LC van 19 april 2001 had [eiseres] geen behoefte haar bezwaren te bespreken met de LC en wenste zij doorverwezen te worden naar de zitting van de rechter-commissaris (hierna: RC; art. 216, aanhef en sub a, jo. art. 174 Lw Pro.).
1.4. Op 8 mei 2001 heeft de RC het bezwaar behandeld (art. 216, aanhef en sub c, jo. art. 176 Lw Pro.). Hij constateerde dat hij partijen niet kon verenigen en verwees de zaak naar de terechtzitting van de van de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de Rechtbank) van 27 juni 2001 (art. 216, aanhef en sub c, jo. art. 178, tweede lid, Lw.).
1.5. Bij vonnis van 19 oktober 2001, rolnummer 52384/HA ZA 01-417, verklaarde de Rechtbank de bezwaren van [eiseres] ongegrond. Zij overwoog daartoe onder meer:
3. Post opheffing recht van weg.
(...)
Vaststaat naar het oordeel van de Rechtbank dat een erfdienstbaarheid ten behoeve van het land, gelegen ten noorden van de kavel van reclamante, ten last van de kavel van reclamante was gevestigd. Het gaat om het opheffen van deze erfdienstbaarheid, waarbij het erf van reclamante gold als lijdend erf. Kennelijk heeft reclamante van deze erfdienstbaarheid geen kennis gehad en heeft zij abusievelijk gedacht, dat het ging om het opheffen van de erfdienstbaarheid over een lengte van 840 meter waarbij haar erf gold als heersend erf. Haar verweer, gestoeld op deze verkeerde veronderstelling dient dan ook te worden verworpen. Het bezwaar - nu het proces-verbaal van aanwijzingen [(hierna: PvA)] op juiste wijze is toegepast - dient dan ook niet gegrond te worden verklaard.
4. Post basiskosten.
(...)
Op grond van de uitgangspunten in het PvA wordt het verschil in afstand en kwaliteit tussen de inbreng en toedeling in punten bepaald, als door de landinrichting verandering is aangebracht in de afstand van een woning of in de kwaliteit van de af te leggen weg tot de dichtstbijzijnde openbare verharde weg. Toepassing van dat uitgangspunt heeft bij reclamante opgeleverd 75 punten à f. 200,-- per punt. Ook met betrekking tot het onderhavige bezwaar is de rechtbank van oordeel, dat door of namens reclamante niet aannemelijk is gemaakt dat toepassing van het PvA op dit onderdeel voor reclamante leidt tot een onredelijk of nadelig resultaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de [LC] de post ontsluiting conform het PvA becijferd met als uitgangspunt dat reclamante een behoorlijke ontsluiting heeft gekregen via de [b-straat], welke kwalitatief op hetzelfde niveau was als daarvoor. Ook het onderhavige bezwaar wordt ongegrond verklaard.
1.6. [eiseres] heeft tegen het vonnis tijdig en op de juiste wijze beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van één middel, bestaande uit twee onderdelen, die zich richten tegen respectievelijk rov. 3 en 4. Ter zitting van de Hoge Raad van 4 januari 2002 is tegen de LC verstek verleend. Ter zitting van 22 februari 2002 heeft [eiseres] haar standpunt schriftelijk doen toelichten. Het tegen de LC verleende verstek is gezuiverd doordat de LC ter zitting van 1 maart 2002 voor antwoord heeft geconcludeerd. Op dezelfde zitting heeft zij haar standpunt schriftelijk doen toelichten. Ter zitting van 15 maart 2002 heeft [eiseres] gerepliceerd.
2. Enige literatuur en jurisprudentie
2.1. De landinrichtingskosten moeten naar objectieve maatstaven worden bepaald. In de losbladige uitgave Agrarisch grondverkeer staat in dit verband onder meer:(1)
De schatters gaan te werk met inachtneming van de door de centrale commissie verstrekte en in een proces-verbaal vastgelegde aanwijzingen (artikel 210, lid 3). Het proces-verbaal van aanwijzingen houdt bepaalde criteria in om verbeteringen in de ontsluiting in geld uit te drukken. Daaruit volgt een berekening van het nut. Het is niet van belang of een bepaald bedrijf ook daadwerkelijk gebruik maakt van de ontsluiting. Het gaat uitsluitend om het objectieve nut van een bepaald gebied (Rb. Leeuwarden 25 juli 1991, Agr. R. 1992 , 4560). (...) De aanslagen in de landinrichtingskosten worden opgelegd conform de richtlijn in het proces-verbaal van aanwijzingen, behalve indien de richtlijn tot evident onredelijke uitkomsten leidt (Rb. 's-Gravenhage 5 oktober 1994 en 28 december 1994, LiJ nr. 2, juli 1997, onder nr. 71). Bezwaren tegen de aanwijzingen vallen onder de competentie van de rechtbank. In het geding is namelijk bescherming van de burgerlijke rechten (zie ook artikel 6 Europees Pro verdrag tot bescherming van de rechten van de mens). De toetsing door de rechter dient zich echter te beperken tot de vraag of de aanwijzingen in strijd zijn met de tekst of de strekking van de Landinrichtingswet en, meer in het bijzonder of de aanwijzingen leiden tot willekeurige en onredelijke geldelijke regelingen, die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.
2.2. Dit laatste criterium is neergelegd in HR 22 juni 1988, NJ 1988, 29. Daarin overweegt de Hoge Raad met betrekking tot het PvA:
Omdat het hier gaat om een krachtens delegatie van de wetgever door [de CLC] tot stand gebracht besluit van algemene strekking, dient de toetsing daarvan door de rechter zich wel te beperken tot de vraag of dat besluit in strijd is met tekst of strekking van de [Lw.], waaronder de vraag of het besluit leidt tot willekeurige en onredelijke geldelijke regelingen welke de wetgever bij de in (...) artikel 210 lid 3 gegeven Pro bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad.
2.3. Rodrigues Lopes betoogt elders onder meer:(2)
Waar reclamanten meenden geen nut van een in het kader van de ruilverkaveling openbaar geworden en deels verbeterde weg en evenmin van werken ter verbetering van de waterbeheersing te hebben, bleek uit het proces-verbaal van aanwijzingen dat ervan werd uitgegaan dat iedere rechthebbende van een en ander profiteerde. Hoewel de aanwijzingen terzake in hun algemeenheid niet als onjuist of onredelijk kunnen worden aangemerkt, dient bij de opstelling van de lijst der geldelijke regelingen daarvan te worden afgeweken ingeval het objectieve nut voor de eigenaar van nihil of verwaarloosbaar gering is. In casu is dan het nut van de eerste verbetering voor het perceel van reclamanten verwaarloosbaar gering, dat van de tweede aannemelijk (Rb. Rotterdam 29 september 1994, Agr.r. 1996, 4795). Nog steeds gaat het hier om het objectieve nut, immers om het nut voor het perceel, niet om de subjectieve kijk van de eigenaar daarop. Wel valt op dat de rechter de betekenis van de aanwijzingen enigszins relativeert. In het algemeen noemt hij de aanwijzingen niet onjuist of onredelijk, hetgeen impliceert dat aanwijzingen dat wel zouden kunnen zijn.
2.4. De Haan schrijft:(3)
[D]e aanslag voor de ontsluiting wordt opgelegd volgens objectieve normen die zijn opgenomen in het [PvA] voor de tweede schatting. (...) Als regel vindt daarbij een vergelijking plaats tussen de oude en de nieuwe situatie, waarbij tevens rekening wordt gehouden met het al dan niet verhard zijn van de oude weg en met de verkeerssituatie.(4) Alleen bij overbedeling kan van een dergelijke vergelijking geen sprake zijn, terwijl de overbedeelde eigenaar toch nut heeft van de ligging van de betreffende grond aan een verharde weg. Dit temeer nu voor alle overbedeling in beginsel dezelfde grondprijs wordt aangehouden (schattingswaarde naar voortbrengend vermogen maal factor). (...) Ook nadelen uit het oogpunt van ontsluiting als gevolg van de landinrichting moeten aan de hand van objectieve factoren van het proces-verbaal worden geschat en dus niet op exploitatiebasis, nu dat bij de voordelen evenmin gebeurt. (...)
3. Beoordeling van het middel
Eerste middelonderdeel
3.1. In het eerste middelonderdeel klaagt [eiseres] in wezen over de norm die het door de Centrale Landinrichtingscommissie opgestelde PvA (art. 210, lid 3, Lw.) stelt bij het bepalen van de basiskosten. Zij kan zich niet vinden in de wijze waarop de Rechtbank deze norm heeft getoetst en evenmin in de uitkomst van de toets.
3.2. Het PvA vermeldt in dit verband onder meer:
II. Ingevolge artikel 210, eerste en tweede lid van de Landinrichtingswet worden geschat:
a. voor iedere eigenaar de verandering in de waarde van de grond ten gevolge van de veranderingen, welke zijn aangebracht in de toestand waarin de objectieve factor ontsluiting en de subjectieve factoren, de verkaveling betreffende, verkeren.
De te onderscheiden factoren worden, met inachtneming van de in het stelsel van classificatie vastgelegde grondslagen en uitgangspunten, zowel in positieve als in negatieve zin als volgt in punten gewaardeerd:
1. (...);
2. de wijziging in de afstand en of kwaliteit van de weg tussen het gebouw en de dichtstbijzijnde openbare verharde weg. Voor woningen van 0 t/m 75 punten met intervallen 15 punten. Voor woningen met een bedrijfsgebouw van 0 t/m 450 punten met intervallen van 15 punten;
3. (...).
3.3. Door in rov. 4 te bezien of sprake is van een 'onredelijk of nadelig' resultaat voor [eiseres], legt de Rechtbank - terecht - de in NJ 1988, 929, voorgeschreven (marginale) toets aan, die voor [eiseres] negatief uitpakt. De aanmerkelijk verkorte en dus verbeterde ontsluiting van het perceel van [eiseres] op de openbare weg weegt volgens de Rechtbank kennelijk en objectief gezien zoveel zwaarder dan de verlengde fietsafstand tot het dorp dat dit laatste nadeel in het niet zinkt bij eerstgenoemd voordeel. Het gaat hier om een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk is.
3.4. Middelonderdeel één faalt derhalve.
Tweede middelonderdeel
3.5. Het tweede middelonderdeel richt zich tegen rov. 3. [eiseres] betoogt dat zij een erfdienstbaarheid heeft verloren, waarvoor zij geen vergoeding heeft ontvangen. Het gaat hier om een recht van weg over 840 meter, waarbij haar erf fungeerde als heersend erf.
3.6. Het oordeel van de Rechtbank dat [eiseres] abusievelijk dacht dat er een erfdienstbaarheid over 840 meter werd opgeheven waarbij haar erf gold als heersend erf, is niet begrijpelijk. Uit de stukken van het geding blijkt immers niet alleen dat [eiseres] een recht van overpad moest gedogen ten gunste van de ten noorden van haar erf gelegen percelen maar ook dat zij op haar beurt een recht van overpad had ten laste van de ten zuiden van haar erf gelegen percelen. Beide erfdienstbaarheden zijn als gevolg van de ruilverkaveling komen te vervallen. Voor het vervallen van de eerstbedoelde erfdienstbaarheid is haar ƒ 5.000 in rekening gebracht. Maar ter zake van het vervallen van de laatstbedoelde erfdienstbaarheid is zij niet gecompenseerd, hetgeen mij onjuist voorkomt, althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
3.7. Het mag dan zo zijn dat [eiseres] voor de verloren uitweg een nieuwe uitweg terug heeft gekregen, maar hiervoor betaalt zij ƒ 2.789 in het kader van de overbedeling en daarnaast eigenlijk ook nog ƒ 15.000 in het kader van de hiervóór aan de orde gestelde basiskosten.
3.8. Uit post II e 7 van het PvA lijkt te volgen dat een vergoeding van ƒ 5.000 voor het vervallen van dit recht van weg op zijn plaats is. Het gaat hier immers om een reed van 840 m.
3.9. Mitsdien slaagt middelonderdeel twee.
4. Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank en tot verwijzing van het geding naar een gerechtshof.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Agrarisch grondverkeer, A 5-1-77/78, suppl. juni 2001 (bewerkt door D.L. Rodrigues Lopes).
2 D.L. Rodrigues Lopes, Overzicht landinrichtingsjurisprudentie, Lijst der geldelijke regelingen, Agrarisch recht, 1997, blz. 551/552.
3 P. De Haan, Onroerend-goedrecht, Deel c. Landinrichting, 1988, blz. 244/245.
4 (noot 355) Zo lette Rb. Roermond 16 nov. 1984, Rvkb. 70, 164 mede op de grondsoort van de oude weg en verlaagde Rb. Arnhem 23 okt. 1986 Rvbk. 72, 74 een post ontsluiting voor bedrijfsgebouwen vanwege het drukkere verkeer op een doorgaande weg in de nieuwe situatie dan op een doodlopende weg in de oude. Zie ook Rb. 's-Hertogenbosch 23 nov. 1979, AR 1983, 3639 (verlaging maximale aanslag nu kavels reclamant niet beter ontsloten dan voorheen).