ECLI:NL:PHR:2002:AE8461

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/237HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WLWArt. 21 WLWArt. 23 WLWArt. 26 WLWArt. 28 WLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid en procedure in lijstprocedure Waterleidingwet bij reorganisatie drinkwatervoorziening

In deze zaak staat de reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening in Noord-Brabant centraal, waarbij Brabant Water als aangewezen rechtspersoon het distributiegebied 'Noord-Brabant-oost' overneemt. Na een mislukte minnelijke regeling heeft Brabant Water een lijstprocedure ingesteld op grond van art. 28 Waterleidingwet Pro, maar bij de verkeerde rechtbank.

TWM Beheer en TWM Gronden verzetten zich primair tegen de vordering en subsidiar tegen de bevoegdheid van de rechtbank te 's-Hertogenbosch. De rechtbank verklaart zich deels onbevoegd en oordeelt over de ontvankelijkheid van de vorderingen. Het hof bekrachtigt dit oordeel en verklaart TWM niet-ontvankelijk in hun primaire reconventievordering.

De Hoge Raad bevestigt dat de Waterleidingwet een eigen procesrechtelijke regeling kent die afwijkt van het algemene Burgerlijk Wetboek en dat de bevoegdheid exclusief bij de rechtbank van de vestigingsplaats van de over te nemen eigenaar ligt. De vordering van Brabant Water was daardoor niet-ontvankelijk bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de rechtbank te 's-Hertogenbosch is onbevoegd verklaard.

Conclusie

Rolnr: C01/237
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 21 juni 2002
Conclusie inzake:
1. TWM BEHEER B.V.
2. TWM GRONDEN B.V.
tegen
BRABANT WATER N.V. (voorheen: N.V. WATERLEIDING-MAATSCHAPPIJ OOST-BRABANT)
1. Feiten(1) en procesverloop(2)
1.1 Bij Koninklijk Besluit van 14 november 1992 is het door provinciale staten van Noord-Brabant op 14 december 1990 vastgestelde plan tot reorganisatie van de drinkwatervoorziening goedgekeurd. Dat plan berust op art. 16 van Pro de Waterleidingwet-1957 (WLW).
1.2 Op de voet van art. 21 WLW Pro zijn in dat plan drie distributiegebieden aangewezen, waaronder een distributiegebied "Noord-Brabant-oost". Verweerster in cassatie, Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant, thans Brabant Water, is aangewezen als rechtspersoon op wie dat distributiegebied overgaat. In dat distributiegebied is onder meer gelegen het gebied dat eertijds door de N.V. Tilburgse Waterleidingmaatschappij (TWM-oud) werd geëxploiteerd.
1.3 Na goedkeuring van het plan heeft overleg plaatsgevonden tussen Brabant Water en TWM-oud (haar bestuur en/of aandeelhouders, van wie de gemeente Tilburg met een belang van meer dan 90% de grootste is) over wijzen van overgang van bedrijfsonderdelen van TWM-oud. Dat overleg heeft niet geleid tot een regeling in der minne als bedoeld in art. 23 lid 2 onder Pro a WLW.
1.4 In april 1999 heeft bij TWM-oud een reorganisatie plaatsgevonden, waarbij het door TWM-oud uitgeoefende bedrijf in zustervennootschappen is ondergebracht. Na de reorganisatie bestond het concern uit NV TWM en eiseressen tot cassatie, TWM Beheer en TWM Gronden.
1.5 Bij inleidende dagvaarding van 17 augustus 1999 heeft Brabant Water (hierna te noemen: WOB) in conventie jegens TWM Beheer en TWM Gronden een lijstprocedure als bedoeld in art. 28 WLW Pro aanhangig gemaakt bij de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch.
1.6 Toen WOB zich realiseerde dat die vordering niet bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch maar bij de arrondissementsrechtbank te Breda aanhangig had dienen te worden gemaakt, heeft WOB haar vordering in het onderhavige geding verminderd tot nihil, zulks onder uitdrukkelijk voorbehoud van al haar rechten. Zij heeft haar desbetreffende vordering inmiddels bij de rechtbank te Breda ingesteld, in welke procedure naast TWM Beheer en TWM Gronden ook NV TWM is betrokken.
1.7 TWM Beheer en TWM Gronden hebben, voordat WOB haar vordering tot nihil verminderde, zich primair verweerd met de stelling dat zij niet als eigenaar van een waterleidingbedrijf in de zin van de WLW konden worden aangemerkt. In reconventie hebben zij een verklaring voor recht van die strekking gevorderd. In het geding in conventie hebben TWM Beheer en TWM Gronden zich voorts aanvankelijk subsidiair beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank te 's-Hertogenbosch om van de vordering van WOB kennis te nemen. Dat beroep hebben zij na de vermindering van eis in conventie laten varen, terwijl zij in reconventie hun vordering hebben aangevuld met een subsidiaire vordering tot een verklaring van recht dat WOB door de vermindering van eis haar desbetreffende vordering voorgoed heeft prijsgegeven.
1.8 WOB heeft zich in reconventie beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank te 's-Hertogenbosch om van de vordering van TWM Beheer en TWM Gronden in reconventie kennis te nemen.
1.9 De rechtbank heeft in haar vonnis van 30 juni 2000 in conventie verstaan dat na de vermindering van de vordering van WOB tot nihil op die vordering niet meer behoefde te worden beslist. In reconventie heeft de rechtbank de door WOB voorgedragen exceptie van onbevoegdheid ten dele gegrond bevonden en voor het overige TWM Beheer en TWM Gronden niet-ontvankelijk geoordeeld in hun vorderingen in reconventie dan wel deze afgewezen.
1.10 TWM Beheer en TWM Gronden zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen en hebben het geschil in volle omvang aan het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voorgelegd.
Bij arrest van 12 juni 2001 heeft het hof het vonnis van 30 juni 2000 bekrachtigd voor zover in conventie gewezen en voor zover de afwijzing van de subsidiaire vordering in reconventie betreffende. Het hof heeft het vonnis vernietigd voor zover voor het overige in reconventie in de hoofdzaak en het incident gewezen en geoordeeld dat TWM Beheer en TWM Gronden in hun primaire vordering in reconventie niet-ontvankelijk zijn.
1.11 Tegen dit arrest hebben TWM Beheer en TWM Gronden tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld. Daarop heeft WOB een conclusie van antwoord genomen. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en gere-en dupliceerd.
2. Bespreking van het middel
2.1 Kern van het cassatieberoep is de vraag naar de aard van de in de art. 26 e.v. van de Waterleidingwet voorgeschreven rechtsgang.
2.2 De Waterleidingwet regelt de openbare drinkwatervoorziening en is in een aantal hoofdstukken verdeeld die betrekking hebben op de verschillende facetten daarvan. Uit de considerans van de Waterleidingwet blijkt dat bij de totstandkoming van deze wet in overweging is genomen dat het in het belang der volksgezondheid wenselijk is regels te stellen met betrekking tot het toezicht op de waterleidingbedrijven en tot de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening. De uit 1957 stammende WLW is bij Wet van 10 september 1975, Stb. 514 gewijzigd omdat de voorheen in de wet opgenomen regeling betreffende de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening niet aan de verwachtingen heeft voldaan(4).
In deze zaak gaat het om hoofdstuk III dat een regeling van de reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening bevat (art. 16 tot Pro en met 46).
2.3 Art. 16 WLW Pro bepaalt dat provinciale staten een plan tot reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening in hun provincie kan voorstellen, voor zover dit ter bevordering van de doelmatigheid van die voorziening gewenst is. Na eventuele bezwaren van gemeenteraden en eigenaren van waterleidingbedrijven wordt het plan door provinciale staten vastgesteld en bij Koninklijk Besluit goedgekeurd
De inhoud van zo'n plan wordt in art. 21 omschreven Pro als de aanwijzing van een gebied tot distributiegebied en de aanwijzing van de rechtspersoon op wie dit gebied overgaat. Het plan heeft tot gevolg dat de bevoegdheid tot levering van drinkwater aan verbruikers in dat gebied op die rechtspersoon overgaat en dat die rechtspersoon zich de bedrijfsmiddelen van de waterleidingbedrijven in het betrokken gebied langs gerechtelijke weg kan verschaffen, hetgeen neerkomt op gedwongen concentratie(5).
2.4 Zoals onder de feiten is vermeld, heeft in de onderhavige zaak provinciale staten van Noord-Brabant een plan tot reorganisatie van de drinkwatervoorziening als bedoeld in art. 16 van Pro de WLW goedgekeurd, in welk plan onder meer het distributiegebied "Noord-Brabant-oost" is aangewezen.
2.5 Als rechtspersoon op wie het bij het plan omschreven distributiegebied overgaat, kan worden aangewezen één van de eigenaren van de in dat gebied werkzame waterleidingbedrijven, hetzij een door deze eigenaren opgerichte rechtspersoon, hetzij een andere, reeds bestaande of voor dat doel door het provinciale bestuur opgerichte rechtspersoon. In de onderhavige zaak is WOB als zodanig aangewezen.
Overgang van een bedrijf betekent in dit verband volgens de memorie van toelichting dat de eigenaar het bedrijf aan de in het plan aangewezen rechtspersoon verkoopt(6).
2.6 De overgang van een distributiegebied heeft als rechtsgevolg de overgang van de bevoegdheid tot levering van drinkwater. Dit rechtsgevolg is geregeld in art. 23. De nieuwe exploitant verkrijgt de bevoegdheid tot levering van drinkwater in het (geografische(7)) gebied dat naar hem overgaat. Met de overgang van de bevoegdheid tot levering van drinkwater moet de overgang van de bedrijfsmiddelen samenvallen(8). In deze zaak betreft het de bedrijfsmiddelen van thans TWM c.s.
2.7 De wet voorziet dienaangaande in twee mogelijkheden, te weten overgang van de bedrijfsmiddelen in der minne of door tussenkomst van de rechter. Indien partijen niet in minnelijk overleg de bedrijfsonderdelen langs de gewone civielrechtelijke weg doen overgaan, voorzien de art. 26 e.v. WLW in een zogenaamde lijstprocedure, waarbij in een vonnis een lijst wordt vastgesteld waarop de vermogensbestanddelen worden vermeld die in de overgang van rechtswege zijn begrepen. In dit vonnis komt tevens de schadevergoeding aan de orde.
2.8 De procedure tot vaststelling van de lijst wordt ingeleid door één van de bij een concentratie betrokken partijen en wel bij dagvaarding bij de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de in art. 26 WLW Pro bedoelde eigenaar is gevestigd (art. 28 WLW Pro). De WLW voorziet aldus zowel in de absolute bevoegdheid als in de relatieve bevoegdheid en wijst daartoe de rechtbank aan van de vestigingsplaats van de "overgenomen" eigenaar.
2.9 De art. 29 e.v. geven vervolgens een vrij gedetailleerde regeling omtrent de over te leggen stukken (art. 29), de termijnen voor de conclusiewisselingen (art. 30), het wijzen van vonnis waarbij een rechter-commissaris en deskundigen worden benoemd en de mogelijkheid een rechtsmiddel aan te wenden (art. 31). Voorts beschrijven deze artikelen nauwkeurig dat de rechtbank na indiening van het deskundigenadvies bij vonnis de hiervoor bedoelde lijst voorlopig vaststelt, waarna wederom de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel bestaat (art. 34). Vervolgens volgt de behandeling van eventuele bezwaarschriften en ten slotte de vaststelling bij vonnis van de lijst door de rechtbank. Daartegen kan beroep in cassatie worden ingesteld, hetgeen moet geschieden binnen veertien dagen door het afleggen van een verklaring ter griffie van de rechtbank (art. 36).
2.10 In de toelichting wordt vermeld dat de regels over de procedure tot vaststelling van de in art. 26 bedoelde Pro lijst erop zijn "gericht, dat enerzijds de lijst een zo compleet mogelijke opgave bevat van de burgerrechtelijke rechten en verplichtingen die in de overgang zullen zijn begrepen en dat belangen van derden worden beschermd, en anderzijds dat de procedure met de vereiste voortvarendheid wordt gevoerd."(9).
2.11 In schadeloosstelling voor de "gedwongen overgang van waterleidingbedrijven" wordt ten slotte voorzien in de art. 37-39 WLW. Deze plicht tot het vergoeden van de schade is opgenomen, omdat het niet aanvaardbaar zou zijn, aldus de minister, dat de eigenaren van de over te nemen bedrijven omwille van het algemeen belang de bedrijfsvoering zouden moeten staken zonder een geldelijke vergoeding te ontvangen(10).
2.12 Het middel, dat uit vijf klachten bestaat, richt zich tegen de volgende rechtsoverwegingen in het bestreden arrest:
"4.2.1. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat na de vermindering van de eis tot nihil de vordering in conventie verder niet ter zake dienende was en geen verdere bespreking behoefde. Nu door die vermindering van eis geen sprake meer was van een vordering in conventie waartegen zij zich dienden te verweren, beroepen TWM Beheer en TWM Gronden zich er tevergeefs op dat de rechtbank hun recht op wederhoor zou hebben onthouden door na de vermindering van eis de conventie als afgedaan te beschouwen. Het beroep van TWM Beheer en TWM Gronden op art. 6 EVRM Pro en art 144 Rv Pro. faalt derhalve. Voor zover de rechtsgang in conventie in eerste aanleg niet compleet zou moeten worden geacht, is dat gebrek bovendien door de in hoger beroep wel volledige rechtsgang hersteld."
"4.2.3. Op grond van het hiervoor overwogene falen de grieven, voor zover betrekking hebbende op het vonnis in conventie en op de afwijzing van de subsidiaire vordering reconventie."
"4.3.1. Ten aanzien van de primaire vordering in reconventie heeft de rechtbank terecht doorslaggevende betekenis toegekend aan het feit dat die vordering strekt tot een verklaring van recht omtrent een vraag die in een op grond van art. 28 WLW Pro aanhangig te maken procedure dient te worden beantwoord. Nu in voormeld artikel daartoe specifiek de rechtbank wordt aangewezen binnen welker rechtsgebied de - door de overnemende rechtspersoon gestelde - eigenaar van het over te nemen waterleidingbedrijf is gevestigd (in casu de rechtbank te Breda) heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch zich terecht materieel onbevoegd geacht van vorenbedoelde primaire vordering in reconventie kennis te nemen."
"4.3.3. Nu gezien de onbevoegdheid ratione materiae van de rechtbank te 's-Hertogenbosch voor een verdere inhoudelijke discussie inzake de vordering in reconventie geen plaats is, faalt grief 1 ook ten aanzien van het geding in reconventie. Dat dit aspect naar aanleiding van het door WOB opgeworpen bevoegdheidsincident aan de orde is gekomen, doet daaraan niet af. De vraag of de rechtbank partijen al dan niet goed heeft begrepen ten aanzien van de omvang van de door hen gewenste beslissing kan buiten beschouwing worden gelaten nu in elk geval in hoger beroep het geschil zich mede tot de vraag naar de ontvankelijkheid van de vordering in reconventie heeft uitgestrekt."
2.13 Uitgangspunt van alle klachten is dat in de lijstprocedure van de WLW niet een administratiefrechtelijke rechtsgang wordt gegeven en dat mitsdien de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dat gold voor 1 januari 2002 (toevoeging W-vG), op die procedure van toepassing zijn(11).
2.14 M.i. is dit uitgangspunt onjuist. In de Nota naar aanleiding van het eindverslag heeft de minister in antwoord op vragen over de schadeloosstelling het volgende opgemerkt:
"Zoals in de memorie van toelichting en van antwoord reeds is uiteengezet, brengt de specifieke aard van de inhoud van het wetsontwerp, nl. de concentratie van waterleidingbedrijven waarbij niet slechts de activa doch tevens de passiva overgaan van het ene bedrijf op het andere, met zich mede dat de Waterleidingwet zelfstandige regels moet geven zowel met betrekking tot de te volgen procesgang als tot de methode van de waardeberekening. De onteigeningswet kan te dien aanzien niet worden toegepast."(12)
2.15 Uit deze opmerking alsmede uit het systeem van de WLW kan worden afgeleid dat deze wet een eigen procesrechtelijke regeling behelst en dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet integraal van toepassing is. Hierop stuiten alle klachten af.
2.16 Ten aanzien van de vierde klacht, waarin wordt betoogd dat de primaire eis in reconventie ook los van de procedure op de voet van art. 28 WLW Pro aan de orde gesteld had kunnen worden, zodat het hof mede gezien art. 46 WLW Pro blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, kan nog het volgende worden opgemerkt..
2.17 De primaire vordering in reconventie - een verklaring voor recht dat TWM c.s. geen eigenaar zijn van een waterleidingbedrijf - is het verweer tegen de lijstvordering van WOB. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.3.1 geoordeeld dat de rechtbank terecht doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit dat de vordering in reconventie strekt tot een verklaring van recht omtrent een vraag die in een op grond van art. 28 WLW Pro aanhangig te maken procedure dient te worden beantwoord. Het hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dat in de onderhavige procedure het belang bij de vordering in reconventie slechts bestaat in het kader van de lijstprocedure, die bij de rechtbank Breda aanhangig diende te worden gemaakt en ook inmiddels daadwerkelijk daar dient. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.18 Het middel faalt derhalve.
3. Conclusie
Deze strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Zie het vonnis van de rechtbank Den Bosch van 30 juni 2000 onder 2.1, van welke feiten ook het hof is uitgegaan.
2 Zie onder meer het bestreden arrest onder 4.1.2 t/m 4.1.6.
3 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 27 juli 2000.
4 Tweede Kamer, vergaderjaar 1970-1971, 11 252, nr. 3, blz. 7-10.
5 Tweede Kamer, vergaderjaar 1970-1971, 11 252, nr. 3, blz. 11, linkerkolom.
6 Tweede Kamer, vergaderjaar 1970-1971, 11 252, nr. 3, blz. 13, linkerkolom.
7 Tweede Kamer, vergaderjaar 1970-1971, 11 252, nr. 3, blz. 15, rechterkolom.
8 Tweede Kamer, vergaderjaar 1970-1971, 11 252, nr. 3, blz. 11, rechterkolom.
9 Tweede Kamer, vergaderjaar 1970-1971, 11 252, nr. 3, blz. 17, rechterkolom.
10 Tweede Kamer, vergaderjaar 1970-1971, 11 252, nr. 3, blz. 14, linkerkolom.
11 Hoewel in de cassatiedagvaarding wordt gesproken over schending van art. 112 van Pro de Grondwet maak ik uit de schriftelijke toelichting van mr. Rijpma onder 2.1.2 op dat het volgens deze er niet werkelijk toe doet of de rechtbank optreedt op grond van art. 112 lid 1 van Pro de Grondwet of op grond van het tweede lid van dat artikel. Bespreking van de problematiek van dit grondwetsartikel laat ik derhalve achterwege.
12 Tweede Kamer, vergaderjaar 1974-1975, 11 252, nrs. 8-9, blz. 1.