ECLI:NL:PHR:2002:AE8465

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/075HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 2 RvArt. 80 lid 1 ROArt. 81 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel kantonrechter over bewijs en motivering in schadezaak

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser tegen het vonnis van de kantonrechter te Bergen op Zoom verworpen. Het beroep bevatte vier klachten over de bewijswaardering en motivering door de kantonrechter.

De eerste klacht betrof de vraag of de getuige had verklaard overeenkomstig het probandum, maar deze klacht voldeed niet aan de formele eisen en faalde. De tweede klacht bestond uit twee onderdelen: het eerste onderdeel betrof de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring over de toedracht van een aanrijding, welke door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk werd geacht. Het tweede onderdeel klaagde over de rechtsregel dat een enkele getuigenverklaring zonder ander bewijs geen bewijs kan vormen, maar deze klacht werd niet ontvankelijk verklaard.

De derde klacht betrof de bewijskracht van een schriftelijke verklaring van een overleden getuige en het recht op een eerlijk proces, maar ook deze klacht werd niet in behandeling genomen. De vierde klacht stelde een motiveringsgebrek aan de kantonrechter ten laste omdat een expertiserapport zou wijzen op eerdere schade, maar de Hoge Raad oordeelde dat de kantonrechter de stelling van eiser terecht onvoldoende onderbouwd achtte en niet verplicht was hier afzonderlijk op in te gaan.

Gezien het voorgaande concludeert de Hoge Raad dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de kantonrechter bevestigd.

Conclusie

Rolnr. C02/075HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 13 sept. 2002
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Stichting Waarborgfonds Motorverkeer
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep tegen het door de Kantonrechter te Bergen op Zoom op 19 december 2001 tussen partijen uitgesproken vonnis berust op een middel dat vier klachten bevat.
2. De eerste klacht (cassatiedagvaarding onder 1.2, eerste alinea) komt erop neer dat de Kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard overeenkomstig het bij het tussenvonnis van 9 mei 2001 geformuleerde probandum.
3. De klacht voldoet niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro aan een cassatieklacht te stellen eisen, nu niet wordt aangegeven waarom de Kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de verklaring van de getuige [getuige 1] het probandum ondersteunt. De klacht faalt derhalve.
4. De tweede klacht (cassatiedagvaarding onder 1.2, tweede alinea) valt in twee onderdelen uiteen.
5. Het eerste onderdeel klaagt dat de Kantonrechter de verklaring van de getuige [getuige 1] ten onrechte geloofwaardig heeft geacht. Naar ik begrijp acht het middel de verklaring van deze getuige omtrent de toedracht van de aanrijding ongeloofwaardig, omdat nog andere auto's in de desbetreffende parkeerhavens geparkeerd stonden en deze auto's niet zijn beschadigd.
6. Het onderdeel faalt. Niet in te zien valt waarom de omstandigheid dat bij het inparkeren andere auto's niet zouden zijn beschadigd kan afdoen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de bedoelde getuige dat zijn auto bij dat inparkeren (wel) is beschadigd.
7. Het tweede onderdeel verwijt de Kantonrechter schending van de regel dat de verklaring van een enkele getuige zonder enig ander middel van bewijs in rechte geen geloof verdient en van de regel dat, indien een partij als getuige is gehoord, aan haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs te haren voordele kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.
8. In het onderdeel kan [eiser] niet worden ontvangen, omdat het klaagt over schending van rechtsregels (waarvan het bestaan c.q. de toepasselijkheid in het onderhavige geval in het midden kan blijven) en dus niet berust op een van de gronden genoemd in art. 80 lid 1 RO Pro.
9. Hetzelfde lot treft de derde klacht (cassatiedagvaarding onder 1.2, derde alinea): het klaagt over schending door de Kantonrechter van rechtsregels, meer bepaald de regel dat aan een schriftelijke verklaring van een inmiddels overleden getuige geen bewijskracht toekomt en het door art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op wederhoor en op een "fair trial".
10. De vierde klacht (cassatiedagvaarding onder 1.2, vierde alinea) klaagt over een motiveringsgebrek doordat de Kantonrechter voorbij is gegaan aan de stelling van [eiser], dat uit het expertiserapport blijkt dat er van "eerdere schade" sprake is.
11. In zijn conclusie van dupliek heeft [eiser] doen aanvoeren dat in het door het Waarborgfonds opgevorderde bedrag "zeer waarschijnlijk ook de reparatie van een 'oude' schade is begrepen (vide expertiserapport)". Waar het expertiserapport geen enkele aanwijzing bevat dat eerdere schade begrepen is in de calculatie van de schade als gevolg van de onderhavige aanrijding en [eiser] ook niet heeft toegelicht waarom dit het geval zou zijn geweest, heeft de Kantonrechter de stelling van [eiser] kennelijk en niet onbegrijpelijk als onvoldoende onderbouwd en in ieder geval niet als essentieel beschouwd. De motiveringsplicht van de Kantonrechter bracht niet mee dat deze afzonderlijk op de stelling behoorde in te gaan.
Aangezien naar mijn oordeel de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,