ECLI:NL:PHR:2002:AE8773

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01024/01
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen verduistering Mercedes personenauto

Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens medeplegen van verduistering van een Mercedes personenauto. De auto behoorde toe aan een derde partij die deze wilde verkopen. Verdachte kwam via een medeverdachte bij de auto en kreeg deze mee na overeenstemming over de prijs, met de mededeling dat hij eerst geld zou halen. Een werknemer van de eigenaar reed mee, maar verdachte reed later alleen met de auto weg.

Het Hof stelde vast dat de eigendomsoverdracht nog niet had plaatsgevonden toen verdachte met de auto wegreed, mede omdat het kentekenbewijs zonder toestemming werd meegenomen. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat verdachte en medeverdachte bewust samenwerkten bij de verduistering, waarmee medeplegen werd bewezen.

De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie die stelden dat er geen sprake was van wederrechtelijke toeëigening en medeplegen. De opgelegde straf bestond uit onbetaalde arbeid en een betalingsverplichting aan de benadeelde partij.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor medeplegen van verduistering en opgelegd onbetaalde arbeid en betalingsverplichting.

Conclusie

Nr. 01024/01
Mr Wortel
Zitting: 17 september 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "medeplegen van verduistering" veroordeeld tot - in plaats van twee maanden gevangenisstraf - het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur van 100 uren, met aftrek van de tijd die verzoeker in verzekering gesteld is geweest . Voorts is de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van f 35.000,=, met de bepaling dat verzoeker van die verplichting zal zijn bevrijd voor zover zijn mededader aan de betalingsverplichting voldoet. Tevens is terzake van f 17.500,= aan verzoeker een betalingsverplichting als bedoeld in artikel 36 f Sr opgelegd, met de bepaling dat het voldoen aan één van deze betalingsverplichtingen de andere in zoverre zal doen vervallen.
2. Namens verzoeker heeft mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Die middelen zijn identiek aan de eerste twee middelen in de met deze zaak samenhangde zaak met griffienummer 00951/01, waarin ik heden eveneens concludeer.
3. In het eerste middel wordt er over geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat sprake is van wederrechtelijke toeëigening.
4. De bewezenverklaarde verduistering heeft betrekking op een personenauto van het merk Mercedes. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen behoorde die auto toe aan [betrokkene 1], die de auto wilde verkopen. Door tussenkomst van [medeverdachte] (de als medepleger aangemerkte verzoeker in de zo-even genoemde connexe zaak) is verzoeker op die auto afgekomen. Nadat overeenstemming over de prijs was bereikt heeft [betrokkene 1] de auto meegegeven aan verzoeker, die zei eerst naar Zwolle te moeten om geld te halen. Een werknemer van [betrokkene 1], [betrokkene 2], is in de Mercedes met verzoeker meegereden. [Medeverdachte] is in zijn eigen auto voor verzoeker uit gereden. Nog een andere persoon heeft hen in een derde auto gevolgd om [betrokkene 2] terug te brengen.
Op een terrein in Zwolle is verzoeker alleen met de Mercedes weggereden. [Medeverdachte] vertelde [betrokkene 2] dat verzoeker geld ging halen, en dat het vertrouwd was. [Betrokkene 2] vertrouwde het niet en kon - na aandrang - in de auto van [medeverdachte] plaats nemen. Uiteindelijk heeft [medeverdachte] [betrokkene 2] ergens in Zwolle uit zijn auto gezet.
5. In de toelichting op het middel wordt betoogd, gelijk in hoger beroep is aangevoerd, dat dadelijk na het sluiten van de koopovereenkomst levering van de Mercedes heeft plaatsgevonden, zodat die auto reeds eigendom van verzoeker was op het moment waarop deze daarmee bij het bedrijf van [betrokkene 1] wegreed. Van wederrechtelijke toeëgening zou geen sprake kunnen zijn. [Betrokkene 1] zou slechts een vordering op verzoeker hebben omdat deze de koopprijs niet heeft voldaan.
6. In diens tot bewijs gebezigde verklaring heeft [betrokkene 2] verklaard dat zijn werkgever, [betrokkene 1], het kentekenbewijs van de Mercedes op tafel heeft gelegd zodat [betrokkene 2] dat kentekenbewijs kon meenemen. Vervolgens pakte verzoeker dat kentekenbewijs op en stak het in zijn zak. Een tot bewijs gebruikte verklaring van [betrokkene 1] houdt in dat deze niet heeft gereageerd toen verzoeker het kentekenbewijs bij zich stak omdat [medeverdachte] een bekende was.
7. Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] het voornemen had het kenteken van de Mercedes pas aan verzoeker te doen overhandigen nadat deze het bedongen geldbedrag aan [betrokkene 2] zou hebben gegeven. Er kan ook uit worden afgeleid dat verzoeker het kentekenbewijs zonder toestemming aanstonds bij zich heeft gestoken, hetgeen hij slechts kon doen omdat [medeverdachte] bij [betrokkene 1] bekend was.
Gelet op deze bewijsmiddelen kon het Hof naar mijn inzicht aannemen dat er, op het moment waarop verzoeker met de Mercedes het bedrijf van [betrokkene 1] verliet, en ook op het moment waarop verzoeker in Zwolle alleen met de Mercedes verderreed, nog geen sprake was geweest van eigendomsoverdracht door levering.
8. Het eerste middel faalt dus.
9. Het tweede middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet van medeplegen blijkt, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake was van een vooropgezet plan of een bewuste samenwerking.
10. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat [medeverdachte] verzoeker er op attendeerde dat de Mercedes bij [betrokkene 1] te koop stond, en verzoeker vergezelde toen die de auto kocht. Voorts zijn verzoeker met de Mercedes en [medeverdachte] in zijn eigen auto gezamenlijk naar Zwolle gereden, waarna [medeverdachte], toen verzoeker daar met de Mercedes alleen wegreed, [betrokkene 2] (de werknemer van [betrokkene 1]) voorhield dat het vertrouwd was. Vervolgens wenste [medeverdachte] aanvankelijk niet dat [betrokkene 2], die het niet vertrouwde, bij hem in de auto zou stappen. [Betrokkene 2] kreeg slechts met moeite toestemming in de auto van [medeverdachte] te stappen. Nadat [medeverdachte] telefonisch contact met verzoeker had opgenomen, heeft [medeverdachte] [betrokkene 2] uiteindelijk gezegd dat hij hem uit de auto wilde hebben, "anders zou het op een andere manier gaan."
11. Uit deze omstandigheden heeft het Hof naar mijn inzicht kunnen afleiden dat verzoeker en [medeverdachte] bewust en nauw hebben samengewerkt bij de verduistering van de Mercedes, zodat verzoeker dit feit heeft medegepleegd.
Het tweede middel faalt eveneens.
12. Naar mijn inzicht lemen de middelen zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,