ECLI:NL:PHR:2002:AE8847

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01670/01 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 511e Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling draagkrachtverweer bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze zaak staat centraal de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die betrokken was bij handel in heroïne en cocaïne. De rechtbank had de betrokkene verplicht tot betaling van een bedrag van bijna 600.000 gulden aan de Staat, subsidiair 25 maanden hechtenis. Het hof bevestigde deze uitspraak en verwierp het draagkrachtverweer van betrokkene, ondanks dat hij bankafschriften uit Marokko niet had overgelegd.

De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het draagkrachtverweer was afgewezen. Het hof had echter overwogen dat betrokkene substantiële bedragen naar Marokko had gebracht en dat de bankafschriften, hoewel in het bezit van de verdediging, geen nieuw licht wierpen op de financiële situatie. Daarom was het draagkrachtverweer feitelijk ongegrond.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom het draagkrachtverweer is verworpen en dat het niet-overleggen van bankafschriften geen schending van rechtsregels oplevert. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van bijna 600.000 gulden wordt bevestigd.

Conclusie

Nr.01670/01 P
Mr Jörg
Zitting 1 oktober 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=betrokkene]
1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij beslissing van 2 januari 2001 bevestigd een uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 4 augustus 1998, waarbij verzoeker ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is verplicht tot betaling aan de Staat van een bedrag van f 599.102, subsidiair 25 maanden hechtenis. Namens verzoeker heeft mr R.J.H. Corten, advocaat te Sittard, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel klaagt erover dat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd, nu het geen uitdrukkelijke en gemotiveerde verwerping bevat van het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot de draagkracht van verzoeker.
3. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2000 blijkt dat aldaar door de raadsman van verzoeker, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende is aangevoerd:
"Mijn cliënt is thans werkzaam als productiemedewerker bij [A] B.V. te [vestigingsplaats]. Hij heeft een netto-inkomen van f 3070,- per maand, waarvan hij een vrouw en drie kinderen moet onderhouden. Hij heeft verder geen vermogen of bezittingen."
4. Bij de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank acht geslagen op onder meer de volgende bewijsmiddelen.
- Bewijsmiddel A, een verklaring van [persoon 1], handlanger van verzoeker, waarin deze onder meer verklaart dat hij in april 1996 samen met verzoeker naar Marokko op vakantie is geweest en dat verzoeker toen f 250.000 heeft meegenomen, waarvan hij een deel heeft besteed aan de koop van een zeer groot huis aldaar.
- Bewijsmiddel H, een verklaring van [persoon 2], een vriendin van verzoeker, die daarin verklaart dat zij eind juli 1996 met verzoeker naar Marokko is gereisd en dat verzoeker toen tussen de f 40.000 en f 60.000 bij zich had. Verder verklaart zij dat zij verzoeker toen wel eens heeft horen zeggen dat hij een of twee huizen in Marokko had.
5. Ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2000 is de behandeling van de zaak aangehouden om de verdediging de gelegenheid te bieden afschriften van twee Marokkaanse bankrekeningen te overleggen. Ter zitting van 19 december 2000 heeft de raadsman meegedeeld dat hij inmiddels in het bezit was van de bankafschriften, maar dat overlegging daarvan hem bij nader inzien niet zinvol leek omdat deze geen helder licht wierpen op de financiële draagkracht van verzoeker.
6. Het hof heeft in de bestreden uitspraak met betrekking tot het vonnis van de rechtbank en de stellingname daartegen door de verdediging het volgende overwogen:
"()Ter terechtzitting van 11 mei 2000 heeft de verweerder aangekondigd bankbescheiden uit Marokko betreffende zijn financiële positie aldaar te verstrekken. Om de verdediging in staat te stellen die stukken te kunnen overleggen, heeft het hof ter terechtzitting van 11 mei 2000 het onderzoek van de zaak geschorst. Ter terechtzitting van [19 december 2000] heeft verweerder nagelaten inzage te verstrekken van die bankbescheiden, als gevolg waarvan het hof op dit punt geen nader inzicht heeft kunnen krijgen in de financiële situatie van verweerder."
7. Volgens vaste jurisprudentie moet op een uitdrukkelijk voorgedragen en met argumenten ondersteund draagkrachtverweer een uitdrukkelijk en gemotiveerd antwoord volgen (zie onder meer HR 16 april 1996, NJ 1998, 631, en HR 7 mei 1996, NJ 1997, 404, beide m.nt. Sch). In de hiervoor onder 6 weergegeven overweging uit de bestreden uitspraak ligt besloten dat het hof het verweer dat verzoeker over onvoldoende draagkracht beschikt om aan de hem opgelegde verplichting te voldoen, heeft verworpen op de grond dat uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat verzoeker substantiële bedragen afkomstig uit de handel in heroïne en cocaïne naar zijn geboorteland Marokko heeft gebracht en dat het door de verdediging gevoerde verweer geen nader (in de zin van: ander) licht werpt op de financiële situatie en de (grote) draagkracht van verzoeker. Het hof heeft aldus het gevoerde draagkrachtverweer verworpen omdat het feitelijke grondslag mist. Dit oordeel is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het kan in cassatie voor het overige niet op zijn juistheid worden onderzocht. In zoverre faalt het middel derhalve.
8. Het middel voert verder aan dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat het geen nader inzicht heeft kunnen krijgen in de financiële situatie van verzoeker nu de bankafschriften niet zijn overgelegd. Het ontgaat mij welk belang verzoeker bij deze klacht heeft. Zijn raadsman heeft immers zelf voor het hof aangevoerd dat de bankgegevens van verzoeker, die hij wel in zijn bezit had maar niet heeft overgelegd, "in casu niet van belang" zijn. De overweging van het hof dat het niet-overleggen van die gegevens geen nader inzicht heeft opgeleverd is weliswaar een nogal voor de hand liggende gevolgtrekking, maar van strijd met enige rechtsregel is allerminst sprake.
9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 RO Pro ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG