ECLI:NL:PHR:2002:AE8847
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkrachtverweer bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak staat centraal de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die betrokken was bij handel in heroïne en cocaïne. De rechtbank had de betrokkene verplicht tot betaling van een bedrag van bijna 600.000 gulden aan de Staat, subsidiair 25 maanden hechtenis. Het hof bevestigde deze uitspraak en verwierp het draagkrachtverweer van betrokkene, ondanks dat hij bankafschriften uit Marokko niet had overgelegd.
De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het draagkrachtverweer was afgewezen. Het hof had echter overwogen dat betrokkene substantiële bedragen naar Marokko had gebracht en dat de bankafschriften, hoewel in het bezit van de verdediging, geen nieuw licht wierpen op de financiële situatie. Daarom was het draagkrachtverweer feitelijk ongegrond.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom het draagkrachtverweer is verworpen en dat het niet-overleggen van bankafschriften geen schending van rechtsregels oplevert. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van bijna 600.000 gulden wordt bevestigd.