ECLI:NL:PHR:2002:AE8879

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01981/01
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 423 lid 2 SvArt. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 7 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt juiste toepassing artikel 51 Sv bij rechtsbijstand in strafzaak

In deze zaak stond centraal of het onderzoek in eerste aanleg nietig was wegens een vermeende schending van artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat de raadsvrouw van de verdachte geen afschrift van de dagvaarding had ontvangen en niet op de hoogte was gesteld van de zitting. De verdediging stelde dat de officier van justitie bekend was met de gekozen raadsvrouw, die ook in een klaagschriftprocedure de verdachte bijstond, en dat dit betekende dat haar rechtsbijstand ook de hoofdzaak betrof.

Het hof had echter geoordeeld dat niet aannemelijk was geworden dat de raadsvrouw de verdachte in de hoofdzaak bijstond, mede op basis van haar eigen getuigenverklaring waarin zij stelde dat zij alleen in de klaagschriftprocedure had opgetreden en niet automatisch raadsvrouw in de strafzaak was geweest. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat twijfel over de naleving van artikel 51 Sv Pro door de rechter kan worden weggenomen door vast te stellen of daadwerkelijk sprake was van rechtsbijstand in de procedure.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de zaak nietig was wegens schending van artikel 51 Sv Pro en dat het hof ten onrechte de zaak niet had teruggewezen. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en wees het beroep af. Er was geen grond voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen schending van artikel 51 Sv en geen nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg.

Conclusie

Nr. 01981/01
Mr. Wortel
Zitting: 17 september 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1) en 3) "Overtreding van artikel 9, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd"; 2) "Overtreding van artikel 7, eerste lid onder a van de Wegenverkeerswet 1994" en 4) "Aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor duur van tachtig uur, in plaats van zes weken gevangenisstraf alsmede tot vier weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr. P.E. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, het in hoger beroep gevoerde verweer dat in eerste aanleg art. 51 Sv Pro is geschonden heeft verworpen.
4. Op de terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2001 is door en namens verzoeker betoogd dat verzoeker zich voor de behandeling in eerste aanleg had voorzien van de bijstand van mr Ooykaas, die zich als gekozen raadsvrouw had gesteld. Aan op deze terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen zijn afschriften gehecht van onder meer brieven van mr Ooykaas aan de officier van justitie te Rotterdam, gedateerd 8 oktober 1998, 20 november 1998 en 5 februari 1999. In eerstgenoemde brief gaf mr Ooykaas op dat zij verzoeker als gekozen raadsvrouwe bij zou staan ter zake van een feit waaromtrent door de politie proces-verbaal was opgemaakt en in verband waarmee verzoekers rijbewijs en zijn auto in beslag waren genomen. In de tweede brief wordt melding gemaakt van twee parketnummers, waaronder het parketnummer (220080/98) dat in eerste aanleg aan de onderhavige strafzaak is toegekend. Voorts bevat de brief een herhaling van het verzoek de auto aan verzoeker terug te geven. De brief van 5 februari 1999 bevat een herhaling van het verzoek om toezending van het proces-verbaal van de politie inzake parketnummer 220080/98, die de raadsvrouwe dringend nodig had "in verband met de advisering van cliënt en de behandeling van het klaagschrift".
5. De verdediging wees er voorts op dat mr Ooykaas een klaagschrift bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft ingediend, waarna zij een oproeping heeft gekregen voor de behandeling daarvan.
De verdediging stelde zich op het standpunt dat de officier van justitie bekend was geweest met de omstandigheid dat mr Ooykaas als gekozen raadsvrouwe verzoeker bijstond in de strafzaak met parketnummer 10.220080/98, en dat duidelijk had moeten zijn dat haar rechtsbijstand mede de behandeling van de hoofdzaak betrof.
Nu mr Ooykaas geen afschrift heeft gekregen van de dagvaarding in eerste aanleg, noch anderszins van de behandeling op de hoogte is gesteld, is, aldus de verdediging, art. 51 Sv Pro niet nageleefd, hetgeen het onderzoek in eerste aanleg nietig maakt en meebrengt dat de zaak moet worden teruggewezen voor een nieuwe behandeling.
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 februari 2001 heeft het Hof kenbaar gemaakt dat het zich voorshands alleen over deze door de verdediging opgeworpen schending van art. 51 Sv Pro zou uitspreken. Die uitspraak zou hetzij terugwijzing van de zaak, hetzij heropening van het onderzoek in hoger beroep en hervatting daarvan op een reeds bepaalde datum inhouden, in het laatste geval om mr Ooykaas als getuige te kunnen horen.
Bij tussenarrest van 27 februari 2001 heeft het Hof in laatstbedoelde zin besloten.
7. Ter terechtzitting van 4 mei 2001 is mr Ooykaas als getuige gehoord. Zij verklaarde:
"De verdachte heeft mij in de periode november 1999 tot en met februari 2000 niet gebeld over de terechtzitting in eerste aanleg. Ik was niet eens aan het werk, ik was met zwangerschapsverlof. Ik heb noch van de verdachte, noch van een collega, noch van de rechtbank iets vernomen over de terechtzitting. Ik heb zelf niet geïnformeerd, omdat ik nergens van wist. Ik heb met de verdachte alleen met betrekking tot de klaagschriftprocedure gecorrespondeerd. Ik heb het dossier niet meer nagelezen, ik weet niet of ik gecorrespondeerd heb met justitiële autoriteiten. Ik stond de verdachte bij in de klaagschriftprocedure, ik ben dan niet automatisch raadsvrouw in zijn strafzaak. Ik heb mij niet gesteld omdat ik niet zeker wist of de verdachte door mij in de hoofdzaak bijgestaan wilde worden. De verdachte en ik hadden telefonisch contact gedurende de klaagschriftprocedure in verband met de auto, daarna niet meer."
Op deze terechtzitting is voorts als getuige gehoord mr. M.C. Burger die verklaarde:
"Ik heb het dossier-[verdachte] gekregen toen mevrouw Ooykaas met verlof was. Ik heb het alleen overgedragen gekregen. Ik was in afwachting van een bericht van [verdachte] dat hij rechtsbijstand zou willen. Er is geen bericht gekomen van [verdachte]. Als ik niet op mijn kantoor ben, wordt van iedereen die voor mij belt de naam en het telefoonnummer genoteerd."
8. In de bestreden uitspraak is overwogen en beslist:
"Ter terechtzitting in hoger beroep voert de raadsman namens de verdachte aan dat het onderzoek in eerste aanleg, buiten aanwezigheid van de raadsvrouw, nietig is, omdat artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet is nagekomen. De toenmalige raadsvrouw van de verdachte heeft geen afschrift ontvangen van de dagvaarding in eerste aanleg, noch werd zij op andere wijze van de zitting in eerste aanleg in kennis gesteld. Het zou duidelijk moeten zijn dat de bijstand door de raadsvrouw van de verdachte in de beklagprocedure zich eveneens uitstrekte tot het verlenen van rechtsbijstand ter zake van de in de dagvaarding in eerste aanleg tenlastegelegde feiten.
De raadsman van de verdachte concludeert dat de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank te Rotterdam, nu de uitspraak van 6 maart 2000 nietig is.
Het hof verwerpt dit verweer. Niet aannemelijk is geworden dat de bijstand door de raadsvrouw zich uitstrekte tot het verlenen van rechtsbijstand in de hoofdzaak. De raadsvrouw, als getuige gehoord, verklaart ter terechtzitting in hoger beroep dat zij zich alleen in de hoofdzaak had willen stellen als de verdachte daar uitdrukkelijk om gevraagd zou hebben, hetgeen hij niet heeft gedaan.
Het hof is dan ook van oordeel dat artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet geschonden is en ziet geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de rechtbank te Rotterdam."
9. Ik versta de toelichting op het middel aldus, dat tegen deze overwegingen het bezwaar wordt opgeworpen dat de achteraf gebleken omstandigheid dat het optreden van de raadsvrouw beperkt is geweest tot de klaagschriftprocedure, terwijl zij verzoeker in de hoofdzaak niet heeft bijgestaan omdat hij daar niet om heeft gevraagd, niet zonder meer meebrengt dat destijds aangenomen kon worden dat verzoeker in de hoofdzaak geen rechtskundige bijstand genoot.
Integendeel, zo begrijp ik de toelichting op het middel, had het Hof aan de geproduceerde brieven van mr Ooykaas (waarmee de officier van justitie bekend kon zijn en die bij de aan de politierechter voorgelegde stukken gevoegd behoorden te zijn) de betekenis dienen toe te kennen dat de rechterlijke autoriteiten er bij het uitbrengen van de inleidende dagvaarding en de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg vanuit hadden moeten gaan dat er een gekozen raadsvrouw optrad. Nu zij die brieven hebben veronachtzaamd, en mr Ooykaas niet in kennis is gesteld van de in eerste aanleg gehouden terechtzitting, doet zich een schending voor van art. 51 Sv Pro, die niet ongedaan gemaakt kan worden door de achteraf gebleken omstandigheid dat mr Ooykaas niet beoogde verzoeker in de hoofdzaak bij te staan.
10. In dit standpunt kan ik de steller van het middel niet volgen. Indien twijfel rijst of art. 51 Sv Pro is nageleefd staat het de (appèl)rechter, dunkt mij, vrij om te onderzoeken of er in de desbetreffende strafzaak werkelijk sprake is geweest van optreden van een raadsman. Zo dat niet het geval blijkt te zijn geweest kan bezwaarlijk worden volgehouden dat zich een schending van art. 51 Sv Pro heeft voorgedaan. Dat wordt niet anders in geval zich in het dossier stukken bevinden die de officier van justitie of de rechter in eerste aanleg de indruk hadden kunnen geven dat er een raadsman in de zaak optrad. Zelfs dan kan achteraf worden vastgesteld dat die raadsman in werkelijkheid niet in de desbetreffende procedure is opgetreden, zodat hem geen stukken zijn onthouden die te zijner kennis gebracht hadden moeten worden.
11. Daarom getuigt 's Hofs oordeel dat zich geen schending van art. 51 Sv Pro heeft voorgedaan omdat, gelet op de in hoger beroep door mr Ooykaas afgelegde verklaring, niet aannemelijk is geworden dat verzoeker in eerste aanleg bij de behandeling van de strafzaak door de raadsvrouwe werd bijgestaan niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel evenmin onbegrijpelijk is.
12. Het middel faalt.
13. Daaruit volgt dat het tweede middel, waarin is aangevoerd dat het Hof in strijd met art. 423, tweede lid, Sv heeft nagelaten de zaak terug te wijzen, aangezien er wegens de schending van art. 51 Sv Pro geen geldige behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgevonden, feitelijke grondslag ontbeert.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,