ECLI:NL:PHR:2002:AE8879
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt juiste toepassing artikel 51 Sv bij rechtsbijstand in strafzaak
In deze zaak stond centraal of het onderzoek in eerste aanleg nietig was wegens een vermeende schending van artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat de raadsvrouw van de verdachte geen afschrift van de dagvaarding had ontvangen en niet op de hoogte was gesteld van de zitting. De verdediging stelde dat de officier van justitie bekend was met de gekozen raadsvrouw, die ook in een klaagschriftprocedure de verdachte bijstond, en dat dit betekende dat haar rechtsbijstand ook de hoofdzaak betrof.
Het hof had echter geoordeeld dat niet aannemelijk was geworden dat de raadsvrouw de verdachte in de hoofdzaak bijstond, mede op basis van haar eigen getuigenverklaring waarin zij stelde dat zij alleen in de klaagschriftprocedure had opgetreden en niet automatisch raadsvrouw in de strafzaak was geweest. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat twijfel over de naleving van artikel 51 Sv Pro door de rechter kan worden weggenomen door vast te stellen of daadwerkelijk sprake was van rechtsbijstand in de procedure.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de zaak nietig was wegens schending van artikel 51 Sv Pro en dat het hof ten onrechte de zaak niet had teruggewezen. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en wees het beroep af. Er was geen grond voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen schending van artikel 51 Sv en geen nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg.