ECLI:NL:PHR:2002:AE9028
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkingen van de bevoegdheid van de raadsman bij afwezigheid van verdachte in hoger beroep
In deze zaak stond centraal de vraag welke bevoegdheden een raadsman heeft wanneer hij een afwezige verdachte in hoger beroep vertegenwoordigt zonder uitdrukkelijke machtiging. De Hoge Raad verduidelijkt dat op grond van artikel 279 Sv Pro een strikte machtiging vereist is voor de raadsman om namens de verdachte op te treden met alle wettelijke rechten en bevoegdheden. Indien deze machtiging ontbreekt, mag de raadsman zich slechts beperken tot het toelichten van de afwezigheid van de verdachte en verzoeken om aanhouding van de zaak.
De zaak betrof een verdachte die in hoger beroep bij verstek was veroordeeld. De raadsman was aanwezig bij de zitting, maar had niet uitdrukkelijk verklaard gemachtigd te zijn. Desondanks voerde hij een inhoudelijk verweer namens de verdachte, gericht op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege onrechtmatig gebruik van bevoegdheden door opsporingsambtenaren.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof hiermee in strijd handelde met het wettelijke systeem, omdat de raadsman zonder machtiging niet bevoegd was dit verweer te voeren. Het verweer behoefde daarom geen behandeling en het middel werd buiten bespreking gelaten. Hiermee werd bevestigd dat het machtigingsvereiste strikt moet worden toegepast, zonder strijd met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in het EVRM.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen omdat de raadsman zonder uitdrukkelijke machtiging niet bevoegd was het verweer te voeren.