ECLI:NL:PHR:2002:AE9087
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn bij verstekvonnis en gevolgen voor strafvermindering
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door het gerechtshof te 's-Gravenhage voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Na het arrest van 29 maart 1999 vertrok de verdachte naar het buitenland en verbleef daar bijna een jaar. Gedurende die periode kon het Openbaar Ministerie hem niet bereiken. Na terugkeer verbleef hij op verschillende adressen, waaronder detentie.
De Hoge Raad onderzocht of het Openbaar Ministerie de nodige voortvarendheid heeft betracht om de verstekmededeling aan de verdachte te betekenen en of de redelijke termijn voor berechting is overschreden. Hoewel de vertraging tijdens het verblijf in het buitenland niet aan het Openbaar Ministerie kon worden toegerekend, bleek dat daarna niet binnen een jaar de verstekmededeling is uitgereikt of de verdachte in het opsporingsregister is opgenomen.
De Hoge Raad oordeelde dat de vertraging tussen het arrest en het cassatieberoep, met uitzondering van de periode in het buitenland, voor rekening van het Openbaar Ministerie komt. Dit leidt tot overschrijding van de redelijke termijn en rechtvaardigt strafvermindering. Het beroep wordt voor het overige verworpen en er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van de uitspraak.
Uitkomst: De redelijke termijn is overschreden door nalatigheid van het Openbaar Ministerie, wat leidt tot strafvermindering.