ECLI:NL:PHR:2002:AE9087

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00090/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 432 SvArt. 588 SvArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn bij verstekvonnis en gevolgen voor strafvermindering

De verdachte werd bij verstek veroordeeld door het gerechtshof te 's-Gravenhage voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Na het arrest van 29 maart 1999 vertrok de verdachte naar het buitenland en verbleef daar bijna een jaar. Gedurende die periode kon het Openbaar Ministerie hem niet bereiken. Na terugkeer verbleef hij op verschillende adressen, waaronder detentie.

De Hoge Raad onderzocht of het Openbaar Ministerie de nodige voortvarendheid heeft betracht om de verstekmededeling aan de verdachte te betekenen en of de redelijke termijn voor berechting is overschreden. Hoewel de vertraging tijdens het verblijf in het buitenland niet aan het Openbaar Ministerie kon worden toegerekend, bleek dat daarna niet binnen een jaar de verstekmededeling is uitgereikt of de verdachte in het opsporingsregister is opgenomen.

De Hoge Raad oordeelde dat de vertraging tussen het arrest en het cassatieberoep, met uitzondering van de periode in het buitenland, voor rekening van het Openbaar Ministerie komt. Dit leidt tot overschrijding van de redelijke termijn en rechtvaardigt strafvermindering. Het beroep wordt voor het overige verworpen en er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van de uitspraak.

Uitkomst: De redelijke termijn is overschreden door nalatigheid van het Openbaar Ministerie, wat leidt tot strafvermindering.

Conclusie

Nr. 00090/02
Mr. Machielse
Zitting 24 september 2002 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 29 maart 1999 ter zake van 1. "overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van fl. 1000,- subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof ten aanzien van feit 1 de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de tijd van acht maanden. Bovendien heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf in dier voege als in het arrest bepaald.
2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn nu niet binnen een jaar na het bestreden arrest is getracht de verstekmededeling aan de verdachte te betekenen danwel de verdachte in het opsporingsregister te laten opnemen.
4. Voor de beantwoording van de vraag of in de fase van de berechting gelegen tussen een bij verstek gewezen uitspraak en de datum van het daartegen ingestelde rechtsmiddel de redelijke termijn is overschreden, is in de eerste plaats van belang of het openbaar ministerie de nodige voortvarendheid heeft betracht om de uitspraak ter kennis van de verdachte te brengen. Voorts dient bij de beantwoording van genoemde vraag het volgende in aanmerking te worden genomen. Een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, kan zich niet met vrucht beroepen op schending van art. 6, eerste lid, EVRM. (1)
5. Uit de stukken van het geding blijkt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende:
- vanaf 22 februari 1999 stond de verdachte ingeschreven op het GBA-adres: [a-straat 1], [...] te [woonplaats];
- op 10 mei 2000 is verdachte vertrokken naar het buitenland; onbekend waarheen;
- vanaf 26 april 2001 stond de verdachte ingeschreven op het GBA-adres: [b-straat 1], [...] te [plaats C];
- vanaf 10 september 2001 stond de verdachte ingeschreven op het GBA-adres: Stevensbeekseweg 14a, 5825 JC te Overloon (P.I Maashegge te Overloon);
- op 2 november 2001 heeft de verdachte vanuit detentie beroep in cassatie ingesteld.
6. De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat het openbaar ministerie pogingen heeft verricht om de bij verstek gewezen uitspraak aan de verdachte bekend te maken noch dat is verzocht de verdachte op te nemen in het opsporingsregister van de Centrale Recherche Informatiedienst. Erg vreemd is dat evenwel niet. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 15 maart 1999 houdt het volgende in:
De raadsman voert vervolgens het woord en bepleit afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. De raadsman deelt voorts mede dat hij zo spoedig mogelijk een door verdachte ondertekend aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid aan het hof zal sturen.
Vervolgens is na het sluiten van het onderzoek alsnog bij het hof een door verdachte op 23 maart 1999 ondertekende verklaring, inhoudende een aanbod onbetaalde arbeid in verband met de vordering tenuitvoerlegging te verrichten, ontvangen. Hieruit heeft het openbaar ministerie kunnen afleiden dat verdachte op de hoogte was van de omstandigheid dat een tenuitvoerleggingsprocedure tegen hem liep, en wellicht heeft het openbaar ministerie hieruit zelfs afgeleid dat verdachte op de hoogte was van de lopende strafzaak. Maar nu die wetenschap is ontstaan na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting en voordat arrest is gewezen staat zij volgens de letter van de wet niet aan ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg nu niet blijkt van een omstandigheid als bedoeld in art. 432 lid 1 of Pro lid 2 Sv. Dat betekent dat toch een verstekmededeling had moeten uitgaan.
7. De hiervoor onder 5 en 6 weergegeven gang van zaken leidt - tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 4 is vooropgesteld - tot de slotsom dat niet kan worden gezegd dat de vertraging die is opgetreden gedurende het verblijf van de verdachte in het buitenland voor een periode van bijna 1 jaar valt toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie, in aanmerking genomen dat de verdachte naar het buitenland is vertrokken zonder achterlating van enig (brief)adres. In dat tijdvak is van overschrijding van de redelijke termijn - anders dan de steller van het middel kennelijk meent - dus geen sprake geweest.
Nu evenwel niet blijkt dat binnen een jaar na het bestreden arrest is getracht de verstekmededeling aan de verdachte - die in die periode stond ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Rotterdam - uit te reiken in persoon, dan wel op de voet van art. 588, tweede en derde lid, Sv, komt de vertraging die is opgetreden tussen de datum van 29 maart 1999 waarop het bestreden arrest is gewezen en de datum kort voor het instellen van het cassatieberoep op 2 november 2001 - met uitzondering van de hiervoor genoemde periode van bijna 1 jaar waarin de verdachte in het buitenland verbleef - toch voor rekening van het Openbaar Ministerie(2), zodat met die periode de redelijke termijn van berechting is overschreden. Het middel is dus in zoverre gegrond. Dit moet leiden tot strafvermindering.
8. Gronden waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf in dier voege als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 30 januari 2001, NJ 2001, 243
2 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov 3.19.