1 Het hof spelt de naam van de stichting met "kalveren" in het meervoud, maar voorzover uit het dossier valt op te maken is de juiste spelling zoals hier aangegeven.
2 Blijkens de stukken gaat het om stoffen met hormonale werking en stoffen met sympathico mimetische werking. Ik zal niet trachten te verhelen dat ik niet precies weet welke stoffen er achter deze aanduidingen schuilgaan. Ik zal voortaan gemakshalve spreken van "verboden stoffen".
3 Dit valt onder meer op te maken uit de brief van de Staatssecretaris van LNV van 27 juni 1991 aan de voorzitter van de Tweede Kamer, gepubliceerd in de Kamerstukken II 1990 - 1991 21 800 XIV nr. 45.
4 De tekst is overgelegd als productie 2 bij de conclusie van eis.
5 Daarmee wordt bedoeld een onderneming die met SKV een aansluitingsovereenkomst heeft gesloten zoals in alinea 2 hiervóór aangegeven.
6 Het CSR is als productie 5 bij de conclusie van eis overgelegd.
7 Het Geschillenreglement SKV 1991 heb ik niet in het dossier aangetroffen.
8 De bindende adviezen zijn o.a. in eerste aanleg als prod. 8 en 10 van de kant van [eiser] c.s. overgelegd.
9 Rov. 7.2.1., p. 24 onderaan van het als prod. 8 overgelegde advies. In het als prod. 10 overgelegde advies wordt daar in rov. 7 naar verwezen.
10 p. 27 van de beslissing, onderaan.
11 De tekst van de aldus aangeduide verordening van het PvV is te vinden als prod. 3 bij akte in conventie, tevens conclusie van dupliek in reconventie in eerste aanleg.
12 Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken (1989), nr. 161 en, bijvoorbeeld, HR 16 januari 1999, NJ 1999, 284, rov. 4.2.
13 Ik verwijs voor een voorbeeld uit vele naar HR 9 januari 1998, NJ 1998, 363 m.nt. ARB, rov. 3.3. Bloembergen wijst in het slot van zijn annotatie bij deze beslissing wel op het bestaan van het probleem dat ook in de onderhavige zaak aan de orde is.
14 In zijn conclusie voor HR 10 september 1999, NJ 1999, 735, nrs. 3.9 e.v. wijst A-G Spier treffend op de problemen waartoe het te gemakkelijk aanvaarden van de leer van "doorkruising" zou leiden.
15 Dat de hier gebruikte beeldspraken inderdaad verwarring (kunnen) veroorzaken blijkt bijvoorbeeld uit Peters, De houdbaarheid van de doorkruisingsformule, NTB 2001, p. 241 e.v., waar wordt doorgeborduurd op de gedachte dat "doorkruising" alleen mogelijk is als er een alternatieve, voor doorkruising vatbare weg bestaat. Ik denk dat daarmee te veel gewicht wordt toegekend aan de letterlijke betekenis van uitdrukkingen die ooit als metaforen zijn geïntroduceerd.
16 In die zin bijvoorbeeld HR 9 november 1973, NJ 1974, 91 m.nt. WFP.
17 HR 18 februari 1994, NJ 1995, 718 m.nt. MS; HR 7 oktober 1994, NJ 1995, 719.
18 HR 26 januari 1990, NJ 1991, 393 m.nt. MS onder nr 394 ("Windmill"), rov. 3.2; HR 9 juli 1990, NJ 1991, 394 m.nt. MS, rov. 3.2; HR 22 oktober 1993, NJ 1995, 717 m.nt. MS, rov. 3.3; beide in voetnoot 17 al aangehaalde arresten; HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 720 m.nt. MS, rov. 3.4. Uit de vele literatuur over deze arresten en de daaruit op te maken leer doe ik een greep: Onrechtmatige daad (losbl.) V.E., Scheltema, aant. 456 - 459; Verbintenissenrecht (losbl.) II, Van Boom, aant. 98 - 102; Van Wijk - Konijnenbelt - Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht (1999), p. 453 - 461; "Handhaven op niveau", rapport van de Commissie bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving, (1998), p. 127 - 134; De Haan - Drupsteen - Fernhout, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat deel 2 (1998), p. 138 - 141 en p. 517 - 522; Nicolaï c.s., Bestuursrecht (1997), p. 305 - 328; Van der Veen, Openbare Zaken, diss. 1997, p. 363 - 385; Zijlstra, Zelfstandige bestuursorganen in een democratische rechtsstaat, diss. 1997, p. 142 - 146; Beurskens, De Hoge Raad en de twee-wegenleer, AAe Cahiers 1997, p. 46 - 69 (zie van deze schrijver ook NTBR 1997, p. 276 e.v.); Van Steijn, NJB 1997, p. 1883 e.v. (in het bijzonder over de verhouding tussen de regelingen van SKV en het economisch strafrecht) .
19 Zie bijvoorbeeld Verbintenissenrecht (losbl.) II, Van Boom, p. II - 770 - 778; noot van Simon in Jurisprudentie Bestuursrecht 1997, p. 381 (nr. 4, slot); zie ook Beurskens, De Hoge Raad en de twee-wegenleer, AAe-Cahiers 1997, p. 56 - 57 (met verdere verwijzingen).
20 De zojuist aangehaalde annotatie van Simon betreft eveneens dit arrest.
21 Zie in die zin ook Onrechtmatige Daad (losbl.) V.E., Scheltema, p. V.E. - 46 - 50; Verbintenissenrecht (losbl.) II, Van Boom, p. II - 769; Van der Veen, diss., p. 376 - 378; Beurskens, AAe Cahiers 1997, p. 53.
22 Ik wil niet verhelen dat ik geen informatie in de stukken heb aangetroffen die begrijpelijk maakt waarom de door de Staatssecretaris genoemde praktische - of zo men wil: technische - bezwaren binnen een systeem van privaatrechtelijke handhaving gemakkelijker te overwinnen zouden zijn dan in een publiekrechtelijk handhavingssysteem. Als het gebruik van verboden stoffen technisch moeilijk is vast te stellen geldt dat, zou men zeggen, voor de controleur in een privaatrechtelijk kader niet wezenlijk anders dan voor zijn "publiekrechtelijke" collega. Dit gegeven verleent steun aan de hierna te verdedigen gedachte dat het sanctie-systeem dat in het kader van SKV is opgezet, zijn effectiviteit vooral ontleent aan (veel) strengere (boete)sancties en een gemakkelijker handhavingsmethodiek dan langs publiekrechtelijke weg te verwezenlijken zijn, en niet - bijvoorbeeld - aan mogelijkheden om nauwkeuriger of "fijnmaziger" te controleren.
23 Keulen, Economisch Strafrecht (1995), p. 222 - 223; Wladimiroff c.s., Facetten van Economisch Strafrecht (1990), p. 30 e.v. Zie ook de Memorie van Toelichting bij het hierna nog nader ter sprake te brengen wetsontwerp 27 025, p. 1.
24 Hoe voortvarend dat systeem bedoeld was, wordt geïllustreerd door HR 8 november 1996, NJ 1997, 136 (SKV/Boskovee), zie i.h.b. alinea 13 van de conclusie van A-G Vranken: aanvankelijk beleed SKV onverbloemd de opzet dat geen noemenswaardige uitzonderingen zouden worden toegelaten op de - in privaatrechtelijke vorm gegoten - verplichting om alleen door, resp. via aangesloten bedrijven kalveren voor de slacht aan te leveren (wat betekende dat het om "gecertificeerde" kalveren moest gaan - en omdat alle slachterijen inmiddels bij SKV waren aangesloten, tevens betekende dat men zich bij SKV moest aansluiten, wilde men kalveren voor de slacht kunnen aanleveren).
25 De al in voetnoot 3 aangehaalde brief van de Staatssecretaris wekt sterk die indruk; zie ook alinea 3 van de conclusie van A-G Vranken voor HR 28 februari 1997, NJ 1999, 732 m.nt. MS. Zie over het begrip "handhavingstekort" o.a. het in voetnoot 18 hiervóór aangehaalde rapport "Handhaven op niveau".
26 Ofschoon de naam en de statutaire doelstelling van SKV de indruk kunnen wekken dat ook andere kwaliteitsaspecten van kalvervlees en -veevoeder beoogd worden, komt uit de stukken van deze zaak naar voren dat de regelingen van SKV in feite (alleen) gericht zijn op de bestrijding van het gebruik van verboden stoffen.
27 Een duidelijk overzicht geven Nicolaï c.s., a.w. p. 315 - 316.
28 Ik verwijs opnieuw naar HR 8 november 1996, NJ 1997, 136 en naar wat ik daarover in voetnoot 24 heb gezegd.
29 Gegevens hierover bij Ten Broeke en Gommers, Het mededingingsrecht in de agrosector, Agrarisch Recht 2000, p. 224 v.
30 De Nederlandse Mededingingswet was immers ten tijde van de gebeurtenissen die in deze zaak moeten worden beoordeeld nog niet in werking getreden.
31 Zoals het geval was in de zaken beoordeeld in HR 28 februari 1997, NJ 1999, 732 m.nt. MS en HR 10 december 1999, NJ 2000, 8.
32 Zie daarover in het bijzonder het in voetnoot 18 genoemde artikel van Van Steijn in NJB 1997, p. 1883 e.v.
33 In latere arresten wordt verwezen naar "soortgelijke maatstaven" als in het "Windmill"-arrest neergelegd (zie o.a. HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 720 m.nt. MS, rov. 3.4). Ik ga er daarom vanuit dat de hier weergegeven maatstaven richtingbepalend zijn, maar niet alleenzaligmakend.
34 Ik verwijs naar het in alinea's 44 e.v. nog nader te bespreken arrest HR 8 juli 1991, NJ 1991, 691 m.nt. MS, rov. 3.3.
35 Ik verwijs bijvoorbeeld naar alinea's 3, 4, 7, 15 en 16 van de conclusie van repliek in conventie en al. 2 van de conclusie van dupliek in conventie. Of in (appel en in) cassatie op zodanige wijze een beroep op de onderhavige stellingen is gedaan dat die ook in cassatie als feitelijke grondslag kunnen dienen, valt intussen wel te betwisten.
36 Zie voor dit gegeven bijvoorbeeld al. 17 van de conclusie van A-G Vranken voor HR 28 februari 1997, NJ 1999, 732 m.nt. MS. Voorzover ik heb kunnen nagaan hebben [eiser] c.s. zich echter in deze zaak niet op dit aspect van "verstrengeling" tussen SKV en de PBO's beroepen.
37 Zie de in alinea 10 hiervóór geciteerde overweging van de geschillencommissie.
38 In de literatuur is een enkele maal opgemerkt dat van de privaatrechtelijke middelen waarmee de overheid publieke beleidsdoelstellingen kan nastreven, de contractueel vastgestelde boete met (een extra marge van) terughoudendheid moet worden beoordeeld, zie bijvoorbeeld Verbintenissenrecht (losbl.) II, Van Boom, aant. 176; Keulen, Economisch Strafrecht, 1995, p. 220; zie ook Nicolaï c.s., a.w., p. 316.
39 Ik word in deze mening gesterkt door het feit dat inmiddels (zoals hiervóór al enkele malen aangestipt) een nieuwe wettelijke regeling van de tuchtrechtspraak voor bedrijfsorganisaties wordt voorbereid, zie wetsontwerp 27 025. Met de regels uit dit voorstel wordt onder meer een effectievere en efficiëntere handhaving van de PBO-regelgeving beoogd. Het voorstel gaat er klaarblijkelijk niet van uit dat daarnaast privaatrechtelijke regelingen met stringentere handhavingsmiddelen zouden mogen worden toegepast. Aan privaatrechtelijke instellingen wordt (alleen) de rol van toezichthouder/controleur toegedacht, waarbij overigens nog de waarborg van ministeriële goedkeuring is voorzien: Memorie van Toelichting, p. 4 en Verslag, p. 3 - 4 . Het voorstel geeft er (ook) geen blijk van dat de ruimte voor privaatrechtelijke handhaving naar het huidige recht als - wezenlijk - groter wordt aangemerkt.
40 In alinea 42 hiervóór heb ik een aantal gegevens genoemd waaruit de aard en omvang van de hier bedoelde "verstrengeling" nader duidelijk wordt. Men kan, zoals uit de daar aangegeven vindplaatsen blijkt, betwijfelen of die gegevens op een zodanige wijze in deze procedure zijn "ingebracht" dat die in cassatie als feitelijke grondslag kunnen dienen; op dezelfde voet is twijfel mogelijk over de vraag of die gegevens, op de in alinea 16 hiervóór bedoelde wijze, als "hypothetische feitelijke grondslag" beschikbaar zijn. Dat kan wel (enig) verschil maken voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de in dit geval ingeroepen "doorkruising".
41 Mededingingsrechtelijke bezwaren kunnen er intussen ook bij een minder stringent opgezet systeem bestaan, zoals uit de in voetnoot 29 aangehaalde publicatie valt op te maken.
42 Zie daarover bijvoorbeeld Barents - Brinkhorst, Grondlijnen van Europees Recht (2001), p. 168.
43 De verordeningen die [eiser] c.s. aanvechten worden o.a. in onderdeel B.1 sub f. i) van het middel opgesomd.
44 Zie bijvoorbeeld T& C AWB (Borman), 2001, p. 276 e.v.; Van Wijk - Konijnenbelt - Van Male, a.w. p. 584 - 591; Nicolaï c.s., a.w., p. 636 e.v.
45 Voor de vraag welke civielrechtelijke gevolgen het vaststellen van een ontoelaatbare "doorkruising" met zich meebrengt verwijs ik naar Verbintenissenrecht (losbl.) II, Van Boom, aant. 104.1; Van der Veen, diss., p. 379 e.v. Zie ook Vermogensrecht (losbl.), Den Tonkelaar, art. 14, aant. 7. Mij lijkt daarbij, anders dan de rechtbank in deze zaak in eerste aanleg oordeelde, niet van belang dat de beslissingen van de geschillencommissie de vorm van een bindend advies hebben. Als de rechter vaststelt dat een bindend advies gegeven is op grondslag van een ongeoorloofde en daarom vernietigbare overeenkomst wordt daarmee (ook) het bindend advies rechtstreeks aangetast, en komt "marginale toetsing" van het bindend advies niet in aanmerking.