ECLI:NL:PHR:2002:AE9258
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geldigheid opzegging arbeidsovereenkomst door curator na vernietiging faillietverklaring en kennelijke onredelijkheid ontslag
In deze zaak staat centraal of de opzegging van een arbeidsovereenkomst door een curator tijdens een faillissement geldig blijft wanneer het faillissement later wordt vernietigd. Daarnaast wordt beoordeeld of een dergelijk ontslag in dat geval kennelijk onredelijk is.
De werknemer trad in 1994 in dienst bij ISA, dat in 1998 failliet werd verklaard. De curator zegde de arbeidsovereenkomst op zonder toestemming van de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening (RDA). Het faillissement werd later vernietigd, waarna de werknemer stelde dat de opzegging nietig was en dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege het ontbreken van een afvloeiingsregeling.
De kantonrechter en rechtbank wezen de vorderingen af, stellende dat op grond van art. 13 Faillissementswet Pro de opzegging geldig blijft na vernietiging van het faillissement en dat de toetsing van het ontslag plaatsvindt op het moment van opzegging. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat art. 13 Fw Pro de geldigheid van curatorshandelingen beschermt ten behoeve van derden en schuldeisers, en dat het nieuwe art. 13a Fw (in werking sinds 1 juli 2002) niet van toepassing is vanwege overgangsrecht.
Ten aanzien van de kennelijke onredelijkheid oordeelt de Hoge Raad dat het ontslag niet automatisch kennelijk onredelijk is door de vernietiging van het faillissement. Een belangenafweging blijft noodzakelijk, waarbij het belang van de werkgever en de werknemer wordt meegewogen. Het beroep van de werknemer wordt verworpen en hij wordt in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de opzegging door de curator geldig blijft na vernietiging van het faillissement en dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is.