ECLI:NL:PHR:2002:AE9389
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid buitengerechtelijke incassokosten bij schadevergoeding
Deze zaak betreft de beoordeling van buitengerechtelijke incassokosten die zijn gevorderd als schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De eiser was betrokken bij een verkeersongeval en vorderde onder meer smartengeld en buitengerechtelijke kosten van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever van de veroorzaker.
Partijen bereikten een minnelijke regeling over het smartengeld, maar de buitengerechtelijke kosten werden door de kantonrechter vastgesteld op een lager bedrag dan gevorderd. De rechtbank hield bij haar beoordeling rekening met de verhouding tussen de kosten en de hoofdsom, het feit dat een deel van de kosten betrekking had op materiële schade die niet werd gevorderd, en de schikking tussen partijen.
In cassatie werd betoogd dat de motivering van de rechtbank onvoldoende was, maar de Hoge Raad oordeelde dat de motivering voldoende duidelijk was welke factoren waren meegewogen. De rechter mag bij schadebegroting, ook van buitengerechtelijke kosten, een schattenderwijs oordeel geven en aan de motivering geen strenge eisen stellen. De dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 BW Pro vereist dat zowel de redelijkheid van het maken van de kosten als de redelijkheid van de omvang wordt beoordeeld.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de rechtbank haar oordeel op juiste wijze had gemotiveerd en binnen de grenzen van de rechtsstrijd was gebleven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de motivering van de rechtbank over de redelijkheid van de buitengerechtelijke kosten is voldoende.