ECLI:NL:PHR:2002:AE9396
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kennelijk onredelijk ontslag en voorzieningen voor oudere werknemer
De zaak betreft het ontslag van een oudere werknemer die lange tijd als duiker bij de werkgever in dienst was. De werknemer werd op 25 juni 1998 ontslagen nadat de werkzaamheden voor de opdrachtgever kwamen te vervallen. De werknemer ontving tot het einde van het dienstverband volledig salaris en was sindsdien aangewezen op een WW-uitkering.
De werknemer vorderde schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. De rechtbank kende hem deze toe, mede vanwege de geringe kans op passend werk voor zijn leeftijd en fysieke beperkingen. De werkgever stelde in cassatie dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat de werknemer na ontslag snel ander werk vond en dat de doorbetaling van salaris een compensatie vormde.
De Hoge Raad oordeelde dat de beoordeling van kennelijk onredelijk ontslag moet plaatsvinden op het moment van ontslag, waarbij latere omstandigheden slechts indicatief kunnen zijn. De rechtbank mocht de feitelijke situatie en de beperkte inzetbaarheid van de werknemer meewegen. Ook werd bevestigd dat de doorbetaling van salaris zonder arbeidsprestatie niet automatisch een voldoende voorziening vormt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was blijft gehandhaafd.