ECLI:NL:PHR:2002:ZC8134
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of invorderingsrente rentedragend wordt in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964
In deze zaak staat centraal de vraag of invorderingsrente rentedragend wordt in de zin van artikel 45b jo. artikel 38 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende had heffingsrente opgelegd gekregen en deze als persoonlijke verplichting in aftrek gebracht. Het Hof bevestigde dat rentedragend worden betekent dat een oorspronkelijke vordering wordt omgezet in een rentedragende lening, wat volgens het Hof pas het geval is als de vordering vorderbaar en inbaar is en de crediteur er over kan beschikken.
De Hoge Raad overweegt dat invorderingsrente verschuldigd wordt door het overschrijden van de betalingstermijn en niet door een omzetting in een lening. Uitstel van betaling leidt niet tot een omzetting van de vordering in een rentedragende lening, omdat het uitstel is verleend in verband met bezwaar en beroep en de ontvanger niet vrij stond dit uitstel te weigeren. De invorderingsrente is daarom nauw verbonden met de oorspronkelijke heffingsrentevordering en wordt niet rentedragend in de zin van de Wet IB 1964.
De Hoge Raad bevestigt hiermee eerdere jurisprudentie dat het begrip rentedragend beperkt moet worden uitgelegd en dat invorderingsrente, net als moratoire rente, een vertragingsrente is die pas achteraf wordt vastgesteld nadat de hoofdsom is betaald. De conclusie is dat de invorderingsrente niet kan worden beschouwd als rentedragend in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting, waardoor deze niet eerder aftrekbaar is dan op het moment van betaling of verrekening.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat invorderingsrente niet rentedragend wordt in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.