ECLI:NL:PHR:2002:ZC8145
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vernietigingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling bij overdrachtsbelasting
De zaak betreft een geschil over de teruggaaf van overdrachtsbelasting na vernietiging van koopovereenkomsten wegens wederzijdse dwaling. De belanghebbende, onderdeel van een concern, had winkelpanden overgedragen met een beroep op de reorganisatievrijstelling, maar bleek alsnog overdrachtsbelasting verschuldigd te zijn door een over het hoofd geziene bepaling in het Uitvoeringsbesluit WBR. Na ontdekking van deze kunstfout vernietigde de belanghebbende de overeenkomsten buitengerechtelijk, waarna de wederpartijen berustten.
De inspecteur weigerde teruggaaf van de belasting, stellende dat geen geldige vernietigingsgrond bestond. Het hof oordeelde echter dat sprake was van wederzijdse dwaling en dat de vernietiging rechtsgeldig was, waardoor teruggaaf gerechtvaardigd was. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en gaat in op de toepassing van het nieuwe BW, met name art. 6:228 BW Pro over dwaling en art. 3:50 BW Pro over buitengerechtelijke vernietiging.
De Hoge Raad benadrukt dat dwaling ook kan gelden in de publiekrechtelijke verhouding tussen partijen en de fiscus, en dat de kunstfout van adviseurs niet ten laste van de fiscus mag komen. Tevens wordt toegelicht dat de vernietiging tijdig is geschied binnen de verjaringstermijn, mede doordat berusting terugwerkt naar het moment van de vernietigingsverklaring. De uitspraak bevestigt dat teruggaaf van overdrachtsbelasting mogelijk is na vernietiging wegens wederzijdse dwaling, ook in gelieerde verhoudingen zonder fiscale grensverkenning of kwade trouw.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat wederzijdse dwaling een geldige grond is voor buitengerechtelijke vernietiging en dat teruggaaf van overdrachtsbelasting gerechtvaardigd is.