ECLI:NL:PHR:2002:ZC8146
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over discriminatie arbeidskostenforfait en rechtsherstel door wetgever
De belanghebbende, predikant in 1995, betwistte de fiscale waardering van het huurgenot van zijn ambtswoning en de toepassing van het arbeidskostenforfait. Het hof stelde het voordeel uit de woninghuur vast op ƒ 12.024, minus de betaalde huur, en verwierp het betoog dat de huur zakelijk was vanwege scheiding kerkvoogdij en diaconie. Tevens verwierp het hof het verzoek om rechtsherstel voor de discriminatie in het arbeidskostenforfait, verwijzend naar de wetgever.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte niet had ingegaan op de bijzondere financiële situatie van de belanghebbende en dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom de huur als loon moest worden aangemerkt. De Hoge Raad constateerde dat de verhogingen van het arbeidskostenforfait vanaf 1992 niet meer fiscaal gerechtvaardigd waren en dat de wetgever naliet tijdig de discriminatie op te heffen.
De Hoge Raad benadrukte dat rechtsherstel in discriminatiezaken niet mag worden uitgesteld om budgettaire redenen en dat de rechter in beginsel rechtsherstel moet bieden indien de wetgever nalaat. De wetgever had met het belastingplan 2000 een methode voor rechtsherstel geïntroduceerd, waardoor de rechter sindsdien rechtsherstel kan verlenen. De Hoge Raad stelde voor het rechtsherstel te beperken tot de belastingjaren 1999 en 2000, gelet op stare decisis en de termijn die de wetgever kreeg.
Ten slotte besprak de Hoge Raad de invoering van de Wet IB 2001, die het arbeidskostenforfait afschafte en een arbeidskorting invoerde, en wees op mogelijke strijd met mensenrechtenverdragen vanwege ongelijke fiscale behandeling van werknemers met hoge kosten versus werknemers zonder kosten of met vergoedingen. De zaak werd vernietigd en verwezen voor nader onderzoek.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het hofvonnis vernietigd en de zaak terugverwezen voor nader onderzoek.