ECLI:NL:PHR:2002:ZD2938

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2002
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02904/00 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33a Sr (oud)Art. 552b SvArt. 552c SvArt. 5:101 BWArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beklag tegen verbeurdverklaring onroerend goed in opiumzaak

In deze zaak is het perceel aan een verdachte verbeurd verklaard wegens betrokkenheid bij strafbare feiten op grond van de Opiumwet. Een derde, die zich op eigendom van het perceel beriep, diende een beklag in tegen de verbeurdverklaring. Het hof oordeelde dat het perceel toebehoorde aan de verdachte en dat de verbeurdverklaring terecht was.

De Hoge Raad analyseert de toepasselijkheid van artikel 552b Sv, dat derden de mogelijkheid biedt om tegen verbeurdverklaring in te gaan als zij te goeder trouw waren. De Raad concludeert dat in deze zaak de rechter al had vastgesteld dat het perceel aan de verdachte toebehoorde en niet aan de derde, waardoor het beklag niet slaagt.

Verder bespreekt de Hoge Raad de juridische nuances rond erfpachtrechten en opstalrechten, die niet verbeurd konden worden verklaard, maar die in deze zaak niet het onderwerp van de verbeurdverklaring vormden. De Hoge Raad bevestigt dat de beslissing van het hof, gebaseerd op feitelijke waarderingen, slechts marginaal kan worden getoetst en acht het cassatiemiddel ongegrond.

Het cassatieberoep wordt verworpen en de verbeurdverklaring blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verbeurdverklaring van het perceel blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 02904/00/B
Mr Machielse
Parket, 8 mei 2001
Conclusie inzake:
[Verzoekster=klaagster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft op 21 december 1995 het beklag van verzoekster ongegrond verklaard, welk beklag strekte tot herroeping van de verbeurdverklaring in de strafzaak met rolnummer 23-000557-93 ([betrokkene A]) van het perceel [a-straat 1] te [woonplaats] en tot het geven van een last tot teruggave van dat perceel aan verzoekster.
2. Op 21 juli 2000 is tegen deze beschikking cassatie ingesteld door mr F. van der Meij, advocaat te Amsterdam.2() Mr D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, heeft een cassatieschriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. Het eerste middel kan buiten bespreking blijven omdat mr Doorenbos op 30 maart 2001 per fax te kennen heeft gegeven dat middel niet te handhaven.
3. Op 9 juni 1994 heeft het gerechtshof te Amsterdam [betrokkene A] voor misdrijven van de Opiumwet veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren en tot verbeurdverklaring onder meer van het perceel [a-straat 1] te [woonplaats]. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze veroordeling op 27 juni 1995 verworpen.
Over de verbeurdverklaring overwoog het hof in zijn arrest:
Uit voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat het inbeslaggenomen perceel [a-straat 1] te [woonplaats] -ondanks dat in de op 27 februari 1991 gepasseerde transportakte terzake van verkoop van dat perceel als nieuwe eigenaar is vermeld: [klaagster]- aan verdachte toebehoort en geheel of grotendeels is verkregen uit de baten van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit. Het hof heeft bij deze vaststelling in het bijzonder ook gelet op de omstandigheid dat verdachte opdracht heeft gegeven in verband met de verbouwing van het perceel, waarvan de prijs in de aan hem gedane offerte ver uitgaat boven de kooprijs, die met de aankoop van het perceel was gemoeid, alsmede dat door of vanwege [betrokkene F] diverse geldbedragen voor die verbouwing zijn uitbetaald, onder andere aan de (hoofd)aannemer [C], waarvan het totaal bedrag eveneens uitgaat boven de aankoopprijs van het perceel.
Het hof zal, met toepassing van het bepaalde in artikel 33a (oud) van het Wetboek van Strafrecht, voormeld perceel [a-straat 1] te [woonplaats] verbeurd verklaren, nu het daarvoor vatbaar is.
4. Op 12 september 1995 is het klaagschrift van verzoekster bij het hof ontvangen. Op 21 december 1995 verklaarde het hof het beklag ongegrond met de volgende motivering:
Het Hof acht geen termen aanwezig zijn bij voormeld arrest uitgesproken beslissing tot verbeurdverklaring van het perceel [a-straat 1] te [woonplaats] te herroepen, aangezien de motivering daarvan, zoals vermeld in het arrest in de strafzaak tegen [betrokkene A] op bladzijde 118, ook thans nog onverminderd van kracht is. Hieraan doet niet af hetgeen door klaagster in haar klaagschrift te dezen is gesteld, in het bijzonder ook niet dat het pand [a-straat 1] op 27 februari 1991 aan [klaagster] is overgedragen en -naar het Hof begrijpt- toentertijd· is betaald uit door de Banque Paribas ter beschikking gestelde kredietgelden en de kosten voor een plaatsing in de woning van een badkamerinrichting en een keuken door de persoon [betrokkene B] zijn voldaan. Het beklag dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
5. Het tweede cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat niet duidelijk is wat het hof in zijn beschikking heeft bedoeld met "het perceel [a-straat 1] te [woonplaats]".
6.1. Alvorens het middel te bespreken hecht ik eraan mij nader uit te laten over de strekking van art.552b Sv. Het artikel geeft belanghebbenden, andere dan veroordeelde, de mogelijkheid in beklag te gaan tegen een verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van hun toebehorende voorwerpen. Die mogelijkheid is in de wet opgenomen om aan de derde, aan wie een voorwerp toebehoorde dat was verbeurdverklaard of aan het verkeer onttrokken, tegemoet te komen. Dat voorwerpen, aan derden toebehorend, ook konden worden verbeurdverklaard of aan het verkeer worden onttrokken, werd bij dezelfde wetswijziging geïntroduceerd. De derde moest de gelegenheid hebben de voorwaarden voor verbeurdverklaring en onttrekking van een hem toebehorend voorwerp te laten toetsen.4() In de art.552b-procedure draait het om de vraag of de derde, aan wie de voorwerpen toebehoren, te kwader trouw was of niet.6()
Het kamerlid Berkhouwer diende een amendement in ter invoeging van een nieuw art.33d met de volgende inhoud:
De rechter verklaart geen voorwerpen verbeurd ten laste van een persoon door wiens opzet of schuld deze voorwerpen zich in verkeerde harden bevonden, alvorens deze persoon in de gelegenheid is gesteld zich ter terechtzitting te doen horen.8()
In de toelichting op het amendement benadrukte de indiener dat verbeurdverklaring een straf is die weliswaar ook op een ander dan de verdachte kan komen te drukken, maar niet zonder inachtneming van een elementair beginsel, te weten dat geen straf wordt voltrokken aan een persoon die niet in de gelegenheid is geweest zich te verweren tegen hetgeen hem wordt verweten. Een voordeel van het voorgestelde amendement boven het wetsvoorstel zag de indiener erin dat aldus een concentratie van vaststellingen in dezelfde procedure mogelijk was en dat aldus zou kunnen worden voorkomen de verbeurdverklaring van een goed die naderhand weer ongedaan moet worden gemaakt omdat de derde aantoont geen opzet of schuld te hebben ten aanzien van het in verkeerde handen geraken van dat goed.10()
Minister Samkalden vond het amendement sympathiek, maar ontwaarde veel praktische problemen. Hij stelde daarom een nieuw art.552c Sv voor met de volgende inhoud:
Zodra het openbaar ministerie bemerkt, dat een inbeslaggenomen voorwerp tijdens het begaan van het strafbare feit toebehoorde aan een ander dan de verdachte, stelt het die persoon, indien zijn verblijfplaats bekend is, in kennis van de bevoegdheden die hij heeft ingevolge de beide voorgaande artikelen.12()
Daarop trok Berkhouwer dit deel van zijn amendement in.14()
In de Memorie van antwoord aan de Eerste Kamer beklemtoonde de minister nogmaals dat de rechtspositie van de derde, wiens voorwerpen verbeurd zijn verklaard, gewaarborgd was mede door de verwittigingsplicht in art.552c Sv van het openbaar ministerie.16()
6.2. De wetsgeschiedenis leert dus dat art.552b Sv bedoeld is voor de derde, wiens voorwerpen door de rechter zijn verbeurdverklaard. Deze zou in de beklagprocedure de gelegenheid hebben aan te tonen dat die voorwerpen niet door zijn opzet of schuld in verkeerde handen zouden zijn geraakt. Of een voorwerp aan verdachte of aan een derde toebehoorde lijkt volgens de minister echter een kwestie te zijn die door de rechter in de hoofdzaak zou moeten worden beslecht.18()
6.3. In het licht van het bovenstaande is het de vraag wie de derde is die zich kan beklagen bijvoorbeeld over een verbeurdverklaring. Door de verwijzing naar art.552a én art.552b Sv in het door de minister voorgestelde en inderdaad ingevoerde art.552c Sv rijst het vermoeden dat aan de minister mede de situatie voor ogen stond dat pas na de uitspraak aan het openbaar ministerie ter ore kwam dat een derde pretendeerde rechten te hebben op een voorwerp, dat gold als aan verdachte toebehorend en als zodanig was verbeurdverklaard. Deze derde zou dan de gelegenheid moeten hebben aannemelijk te maken dat hij te goeder trouw is geweest, reden waarom het voorwerp niet verbeurd verklaard had mogen worden. Maar heeft art.552b Sv ook betrekking op de derde, van wie aan de rechter, die het vonnis wees, bekend was dat deze eigenaar is van de verbeurd te verklaren voorwerpen? In dat geval moet immers de rechter toch al toetsen of de voorwerpen zich door de schuld van de eigenaar in verkeerde handen bevonden. Ik vermoed dat het de bedoeling van de minister is geweest om ook deze derde de rechtsgang van art.552b Sv aan te bieden. Art.552c bood volgens de minister een alternatief voor het amendement-Berkhouwer, dat de strekking had de vonnisrechter in staat te stellen het standpunt van de derde te vernemen voordat over verbeurdverklaring van diens voorwerp zou worden beslist. Het amendement-Berkhouwer ging uit van een rechter die aannam dat het voorwerp aan een derde toebehoorde. Als het voorstel van de minister langs een andere weg hetzelfde doel wilde bereiken als het amendement dan ligt het voor de hand te veronderstellen dat ook de derde, die al volgens de vonnisrechter eigenaar was van de verbeurdverklaarde voorwerpen, zich alsnog op voet van art.552b Sv over de verbeurdverklaring moet kunnen beklagen.
In de onderhavige zaak ligt de situatie net even anders. Het betreft niet de categorie gevallen waarin een voorwerp bij de vonnisrechter te boek stond als eigendom van verdachte en pas na verbeurdverklaring door een derde wordt geclaimed. De vonnisrechter wist in de onderhavige zaak dat op het perceel een claim lag van klaagster en heeft zich daarover uitdrukkelijk uitgelaten. Evenmin schaart de onderhavige zaak zich onder de gevallen waarin de vonnisrechter al heeft beslist dat het voorwerp van een derde is maar het desondanks verbeurd verklaart. De rechter heeft immers in deze zaak beslist dat het perceel aan [betrokkene A] en niet aan klaagster toebehoorde. Uit de wetsgeschiedenis kan niet blijken dat aan deze situatie is gedacht.
6.4. Toch is, dunkt mij, het beklag en dan ook het cassatieberoep ontvankelijk te achten. De woorden van de wet sluiten een beklag immers niet uit in het geval dat de vonnisrechter uitdrukkelijk heeft beslist dat het verbeurdverklaarde voorwerp niet aan de derde, maar aan verdachte toebehoorde. De strekking van art.552b Sv is het bieden van enige bescherming aan de derde wiens eigendom werd verbeurdverklaard en die strekking staat evenmin aan ontvankelijkheid in de weg. Tot slot komt het mij voor dat een ontvankelijkheid van het beklag in overeenstemming is met de sterk verruimde invloed die art.6 lid 1 EVRM Pro inmiddels op de Nederlandse rechtsorde heeft. De verbeurdverklaring is beslissend voor de "private rights" van klaagster ten aanzien van het door haar geclaimde voorwerp.20()
7.1. Een andere vraag is of het klaagschrift gegrond is. In de geest van de wetsgeschiedenis mag verwacht worden dat de klager die gebruik maakt van de in art.552b Sv geopende rechtsgang aanvoert dat het niet aan zijn schuld te wijten is dat het voorwerp "in verkeerde handen" is geraakt. In het klaagschrift vind ik nauwelijks enige argumentatie in die richting. Het klaagschrift gaat wel uitgebreid in op de eigendomsovergang van de woning en de betaling van bepaalde kostenposten, maar geeft niets aan over de (uit het arrest van het hof in de zaak van [betrokkene A] blijkende uitgebreide) relatie die klaagster met [betrokkene A] onderhield. Het enige wat klaagster in het klaagschrift aanvoerde was dat de financiering van het perceel op geen enkele wijze in verband kon worden gebracht met de criminele activiteiten van [betrokkene A]. Het komt mij echter voor dat aldus onvoldoende is aangevoerd waaruit het hof zou kunnen opmaken dat klaagster wél te goeder trouw zou zijn.
Daarom faalt naar mijn oordeel het voorgestelde middel.
7.2. Als de Hoge Raad mij in het voorgaande niet zou volgen lijkt mij het onderstaande voor de beoordeling van het cassatiemiddel relevant.
Naar het mij voorkomt heeft het hof in zijn beschikking met "het perceel [a-straat 1] te [woonplaats]" hetzelfde 'voorwerp' bedoeld als door het hof in de zaak [betrokkene A] is verbeurd verklaard. Uit de aangehaalde overwegingen in dat arrest blijkt naar mijn mening dat het hof daaronder slechts de woning heeft begrepen. Het hof overweegt dat het perceel aan [betrokkene A] toebehoort en het hof spreekt van een "verbouwing" van het perceel. Omdat de grond door de gemeente Amsterdam in erfpacht is uitgegeven en dus eigendom is van de gemeente en omdat verbouwingen plegen plaats te vinden aan een woning ga ik ervan uit dat het hof onder "het perceel [a-straat 1] te [woonplaats]" de woning en niet meer dan dat heeft begrepen. Voor zover het middel klaagt over de verbeurdverklaring van een erfpachtrecht mist het dus in mijn opvatting feitelijke grondslag. Het hof heeft geen erfpachtrecht verbeurd verklaard en daarom kan het middel in zoverre onbesproken blijven.
Wat heeft het hof dan wél verbeurdverklaard?
7.3. In de toelichting op het cassatiemiddel verwijst de raadsman naar een bijlage bij het klaagschrift, waarin wordt gewezen op een notariële akte van overdracht van een erfpachtrecht en opstalrecht aan verzoekster. Verzoekster kreeg dus volgens de steller van het middel geen onroerende zaak overgedragen, maar enkel zakelijke rechten. En zakelijke rechten konden voor 1 maart 1993, de datum van inwerkingtreding van de ontnemingswetgeving, niet worden verbeurdverklaard.
Het komt mij evenwel voor dat het hof met "het perceel [a-straat 1] te [woonplaats]" evenmin als op het erfpachtrecht heeft gedoeld op het opstalrecht. Opstalrecht is het recht om op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen (art. 5:101 BW Pro). Dat recht kon niet worden verbeurdverklaard voor de inwerkingtreding van de ontnemingswetgeving. Maar onroerende goederen/zaken konden volgens de Hoge Raad al wel worden verbeurd verklaard.22() Het hof heeft beslist - althans zo lees ik het arrest en de beschikking op het klaagschrift - dat de woning in feite eigendom was van [betrokkene A] en dat die woning is verbeurdverklaard.24()
Het hof heeft over het klaagschrift overwogen zoals hiervoor is aangehaald.
7.4. De beslissing van het hof is afhankelijk van waarderingen en vaststellingen van feitelijke aard. Daarom kan die beslissing in cassatie slechts marginaal worden getoetst. De beslissing van het hof geeft, verstaan in de door mij opgeworpen zin, geen blijk van een verkeerde uitleg en is - voor zover in cassatie te toetsen - niet onbegrijpelijk.
Daarom faalt het middel
8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep .
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Een woordvoerder van het ressortsparket te Amsterdam deelde mij mede dat het tot augustus 2000 heeft geduurd voordat de beschikking van het hof is betekend.
2 Een woordvoerder van het ressortsparket te Amsterdam deelde mij mede dat het tot augustus 2000 heeft geduurd voordat de beschikking van het hof is betekend.
3 Kamerstukken II, 1954-1955, 4034, nr.3, p.13 r.k.
4 Kamerstukken II, 1954-1955, 4034, nr.3, p.13 r.k.
5 Kamerstukken II, 1957-1958, 4034, nr.5, p.4 r.k.
6 Kamerstukken II, 1957-1958, 4034, nr.5, p.4 r.k.
7 Kamerstukken II, 1957-1958, 4034, nr.9.
8 Kamerstukken II, 1957-1958, 4034, nr.9.
9 Mondeling nog toegelicht op 12 maart 1958, p.2316 r.k.
10 Mondeling nog toegelicht op 12 maart 1958, p.2316 r.k.
11 Vergadering van 12 maart 1958, p.2321 l.k.
12 Vergadering van 12 maart 1958, p.2321 l.k.
13 Vergadering van 12 maart 1958, p.2322 l.k.
14 Vergadering van 12 maart 1958, p.2322 l.k.
15 Handelingen I, 1957-1958, 4034, nr.133a, p.2.
16 Handelingen I, 1957-1958, 4034, nr.133a, p.2.
17 Handelingen I, 1957-1958, 4034, nr.133a, p.2.
18 Handelingen I, 1957-1958, 4034, nr.133a, p.2.
19 Bijv. EHRM NJ 1996,592.
20 Bijv. EHRM NJ 1996,592.
21 HR NJ 1994, 337.
22 HR NJ 1994, 337.
23 Ongetwijfeld heeft het hof zich gerealiseerd dat door verbeurdverklaring van de woning onder deze omstandigheden - opstalrecht en erfpachtrecht blijven aan klaagster toebehoren - een gecompliceerde situatie zou kunnen ontstaan. De grond behoort immers aan de gemeente in eigendom en alleen [klaagster] heeft een opstalrecht, dus het recht gebouwen op die grond te hebben. Het hof zal zich hiervan wel bewust zijn geweest en het hof zal al wel een oplossing voor ogen hebben gezien naar ik mag hopen.
24 Ongetwijfeld heeft het hof zich gerealiseerd dat door verbeurdverklaring van de woning onder deze omstandigheden - opstalrecht en erfpachtrecht blijven aan klaagster toebehoren - een gecompliceerde situatie zou kunnen ontstaan. De grond behoort immers aan de gemeente in eigendom en alleen [klaagster] heeft een opstalrecht, dus het recht gebouwen op die grond te hebben. Het hof zal zich hiervan wel bewust zijn geweest en het hof zal al wel een oplossing voor ogen hebben gezien naar ik mag hopen.