ECLI:NL:PHR:2002:ZD2938
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beklag tegen verbeurdverklaring onroerend goed in opiumzaak
In deze zaak is het perceel aan een verdachte verbeurd verklaard wegens betrokkenheid bij strafbare feiten op grond van de Opiumwet. Een derde, die zich op eigendom van het perceel beriep, diende een beklag in tegen de verbeurdverklaring. Het hof oordeelde dat het perceel toebehoorde aan de verdachte en dat de verbeurdverklaring terecht was.
De Hoge Raad analyseert de toepasselijkheid van artikel 552b Sv, dat derden de mogelijkheid biedt om tegen verbeurdverklaring in te gaan als zij te goeder trouw waren. De Raad concludeert dat in deze zaak de rechter al had vastgesteld dat het perceel aan de verdachte toebehoorde en niet aan de derde, waardoor het beklag niet slaagt.
Verder bespreekt de Hoge Raad de juridische nuances rond erfpachtrechten en opstalrechten, die niet verbeurd konden worden verklaard, maar die in deze zaak niet het onderwerp van de verbeurdverklaring vormden. De Hoge Raad bevestigt dat de beslissing van het hof, gebaseerd op feitelijke waarderingen, slechts marginaal kan worden getoetst en acht het cassatiemiddel ongegrond.
Het cassatieberoep wordt verworpen en de verbeurdverklaring blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verbeurdverklaring van het perceel blijft gehandhaafd.