ECLI:NL:PHR:2003:AD9832
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Strijdigheid Nederlandse kapitaalsbelasting met EG-vestigingsvrijheid bij informele kapitaalstorting
In deze zaak staat centraal of een informele kapitaalstorting door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde grootmoedermaatschappij in een Duitse dochtervennootschap leidt tot heffing van kapitaalsbelasting bij de Nederlandse moedermaatschappij. De moeder had bezwaar gemaakt tegen de kapitaalsbelasting die zij op aangifte had voldaan.
Het hof oordeelde dat de moeder kapitaalsbelasting verschuldigd was, omdat de storting van de grootmoeder in de dochter ook een informele kapitaalstorting in de moeder opleverde. De moeder stelde in cassatie dat dit beleid strijdig is met het EG-recht, met name de vrijheid van vestiging.
De Procureur-Generaal concludeert dat het Nederlandse beleid, waarbij kapitaalsbelasting slechts eenmaal wordt geheven maar afhankelijk van de vestigingsplaats van de dochter, een belemmering vormt van de secundaire vestigingsvrijheid. Er is geen deugdelijke rechtvaardiging voor deze belemmering en het beleid is disproportioneel. Daarom dient het cassatieberoep gegrond te worden verklaard, het hofarrest en de uitspraak van de inspecteur te worden vernietigd en de betaalde belasting terug te worden gegeven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het hofarrest en de uitspraak van de inspecteur worden vernietigd en de betaalde kapitaalsbelasting wordt teruggegeven.