ECLI:NL:PHR:2003:AE5149
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geheimhoudingsovereenkomst tussen informant en Openbaar Ministerie versus informatieplicht minister aan Staten-Generaal
Eiser sloot in 1998 een overeenkomst met het Openbaar Ministerie waarin volledige en absolute geheimhouding werd toegezegd over verstrekte informatie, met uitzondering van levensdelicten. Het gerechtshof Amsterdam verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk vanwege schending van deze geheimhouding. De Staat maakte echter de inhoud van de overeenkomst bekend, wat leidde tot een kort geding waarin eiser bescherming zocht tegen verdere openbaarmaking en vernietiging van gegevens.
De rechtbank en het hof oordeelden deels in het voordeel van de Staat, waarbij het hof stelde dat de minister zich op grond van artikel 68 Grondwet Pro en artikel 22 Wet Pro op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) vertrouwelijk aan de Staten-Generaal en de Binnenlandse Veiligheidsdienst mag informeren, mits de minister een afweging maakt tussen staatsbelang en geheimhouding.
De Hoge Raad overweegt dat de ministeriële informatieplicht aan de Staten-Generaal niet op voorhand kan worden uitgesloten door een geheimhoudingsovereenkomst met een informant. De afweging over het verstrekken van vertrouwelijke informatie behoort aan de minister toe. Daarnaast is de mededelingsplicht aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst verplicht, maar met ruimte voor afweging door het College van procureurs-generaal, waarbij de veiligheid van de informant meegewogen moet worden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor nader onderzoek, met name over de vraag of de afweging omtrent de doorgeleiding van informatie aan de BVD zorgvuldig is gemaakt en of de veiligheid van eiser voldoende is gewaarborgd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de afweging omtrent geheimhouding en informatieverstrekking.