ECLI:NL:PHR:2003:AE6117

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02300/00 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 467 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herzieningsaanvraag wegens snelheidsovertreding met ontlastende verklaring

De aanvrager van herziening is bij vonnis van de kantonrechter te Rotterdam veroordeeld wegens een snelheidsovertreding van meer dan 30 km/u met een geldboete en ontzegging van rijbevoegdheid. De herzieningsaanvraag steunt op een verklaring van een derde, die stelt dat hij op het tijdstip van de overtreding met de auto van de aanvrager een proefrit maakte.

Het onderliggende strafdossier is niet meer te traceren, waardoor het exacte tijdstip van de overtreding onbekend is. Dit tijdstip is echter cruciaal om te beoordelen of de verklaring van de derde het ernstige vermoeden wekt dat de aanvrager onterecht is veroordeeld.

Gezien het ontbreken van het dossier wordt aangenomen dat de verklaring een novum vormt dat het ernstige vermoeden wekt dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken als deze verklaring bekend was geweest. De Hoge Raad concludeert daarom dat de herzieningsaanvraag gegrond is en beveelt opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijzing naar het gerechtshof voor herbehandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde behandeling naar het gerechtshof.

Conclusie

Nr. 02300/00 H
Mr Jörg
Parket, 2 juli 2002
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Aanvrager van herziening is bij vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 25 oktober 1999 wegens overtreding van de maximumsnelheid met meer dan 30 km/u veroordeeld tot een geldboete van Fl. 510,00 subsidiair 10 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden
2. De herzieningsaanvrage is door verzoeker ingediend.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat een ander dan verzoeker de snelheidsovertreding heeft begaan. Ter staving van deze stelling is bij de aanvrage een verklaring gevoegd, gedateerd 19 januari 2000, van [betrokkene 1], inhoudende dat deze op 11 september 1998, de bewezenverklaarde pleegdatum, van 15.00 tot 17.00 uur voor een proefrit gebruik heeft gemaakt van de auto van verzoeker.
4. Een complicatie in deze zaak is de omstandigheid dat het onderliggende strafdossier niet meer te traceren valt. Ik beschik derhalve enkel over een aantekening mondeling vonnis. Hierin wordt - gebruikelijkerwijs - niet het tijdstip van de geconstateerde overtreding vermeld. Dit tijdstip is cruciaal voor de vraag of de verklaring van [betrokkene 1] het ernstige vermoeden doet ontstaan, dat de kantonrechter verzoeker zou hebben vrijgesproken, ware hij van deze verklaring op de hoogte geweest.
5. In het licht van het ontbrekende dossier moet worden aangenomen dat door de overgelegde verklaring die betrekking heeft op de bewezenverklaarde pleegdatum een novum wordt gepresenteerd dat het ernstige vermoeden doet ontstaan, dat de kantonrechter verzoeker zou hebben vrijgesproken, indien hij van deze verklaring op de hoogte was geweest.
6. Ik concludeer dan ook dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG