2.2.1. Hof Leeuwarden 23 maart 2001, Belastingblad 2001, blz. 845, overwoog:
5.1 Volgens art. 6a, vierde lid, verordening [onroerende-zaakbelastingen 2000 van de gemeente Westerveld] wordt de vermindering van de lokale lasten slechts verleend indien de gebruiker van een onroerende zaak op 1 januari van het belastingjaar op het desbetreffende adres in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven.
5.2 Art. 229d, eerste lid, Gemeentewet (tekst 2000) bepaalt het volgende:
De raad kan bepalen dat voor diegenen die bij het begin van het kalenderjaar belastingplichtig zijn voor:
a. de belasting, bedoeld in art. 220, onderdeel a, of art. 221, eerste lid, onderdeel a, steeds voorzover het betreft zaken die geheel of gedeeltelijk tot woning dienen;
b. een recht op grond van art. 229, eerste lid, ter zake van het gebruik van de riolering voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater;
c. een recht op grond van art. 229, eerste lid, dan wel een heffing als bedoeld in art. 15.33 Wet milieubeheer ter zake van het periodiek inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen;
het belastingbedrag ter zake van de belastingen, bedoeld in onderdeel a, of de belastingen, bedoeld in onderdelen b en c, wordt verminderd met ten hoogste ƒ 100.
Op de toevoeging "De raad kan bepalen..." na, is deze wettekst gelijk aan het oorspronkelijke, per 1 januari 1998 ingevoerde, art. 229d.
5.3 De tekst van het oorspronkelijke art. 229d Gemeentewet is duidelijk: bij alle belastingplichtigen wordt het belastingbedrag van de desbetreffende lokale belasting verminderd met ƒ 100. De wettekst laat - behoudens de keuzemogelijkheid voor een gemeente om te bepalen op welke heffing de Zalmsnip in mindering wordt gebracht - geen nadere nuancering/differentiatie/beperking toe. Dat het wellicht de bedoeling van de wetgever is geweest de Zalmsnip slechts per huishouding te verstrekken, valt uit de wetsgeschiedenis niet duidelijk op te maken.
Door de toevoeging "De raad kan bepalen ..." hebben de gemeenten per 1 januari 2000 beleidsvrijheid gekregen. Uit de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 412, nr. 3, blz. 2) valt af te leiden dat de gemeenten bij de uitvoering van de lastenverlichting kunnen kiezen uit verschillende methoden. Een eerste methode houdt in dat het belastingbedrag wordt verminderd met het bedrag van de lastenverlichting. Een andere methode houdt in dat de lastenverlichting wordt verdisconteerd in het tarief. Ook kan het zogenoemde Leidse model worden toegepast. De eerste methode werd in de oorspronkelijke wetgeving dwingend voorgeschreven. Per 1 januari is de oorspronkelijke wettekst en daarmee de wettelijke basis voor het toepassen van de Zalmsnip vervallen. Om het de gemeenten mogelijk te maken om de uitvoering van de lastenverlichting voort te zetten volgens de eerste methode, is het nieuwe art. 229d in de Gemeentewet opgenomen. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de aan de gemeenten gegeven beleidsvrijheid slechts betrekking heeft op de methode van uitvoering van de lastenverlichting. Uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat het nieuwe artikel geen wijziging van het beleid tot gevolg heeft, maar slechts mogelijkheden schept voor gemeenten om voort te gaan op de wijze die zij inmiddels gewend zijn (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 412, nr. 5). Daaruit begrijpt het hof dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest te willen bewerkstelligen de gemeenten een zodanige beleidsvrijheid te geven dat zij de kring van gerechtigden kunnen beperken. Voorts valt ook uit de op het nieuwe artikel betrekking hebbende wetsgeschiedenis niet eenduidig op te maken dat de lastenverlichting slechts per huishouding kan worden toegekend.
5.4 Gelet op het voorgaande is het gerechtshof van oordeel dat de gemeente Westerveld bij de uitvoering van de lastenverlichting geen onderscheid mag aanbrengen naar het al dan niet ingeschreven staan in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Westerveld. Het gerechtshof verklaart art. 6a, vierde lid, verordening derhalve onverbindend.