ECLI:NL:PHR:2003:AE8849
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontnemingsvordering en redelijke termijn in hoger beroep ontnemingszaak
In deze zaak stond de behandeling van een hoger beroep tegen een ontnemingsuitspraak centraal, waarbij verzoeker werd veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad onderzocht onder meer de vraag of het hof terecht het hoger beroep beperkte tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en of het bewijs voor het vastgestelde voordeel toereikend was.
De Hoge Raad benadrukte dat de ontnemingsprocedure een strafvorderlijk karakter heeft, ondanks civielrechtelijke elementen, en dat het hoger beroep tegen een ontnemingsuitspraak in zijn geheel moet worden behandeld conform art. 407 Sv Pro. Het hof had ten onrechte het hoger beroep beperkt, waardoor de uitspraak niet in stand kon blijven.
Daarnaast werd het bewijs van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op een SFO-rapport opgesteld door een financieel deskundige opsporingsambtenaar, als voldoende deskundig en nauwkeurig beoordeeld. Het hof mocht de berekening van de verbalisant overnemen.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had afgezien van het horen van een voortvluchtige getuige, ondanks betwisting van verzoeker. Ten slotte werd het verweer van overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de duur van de procedure gerechtvaardigd was door de complexiteit en invloed van partijen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor volledige herbeoordeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor volledige herbeoordeling van het hoger beroep.