ECLI:NL:PHR:2003:AE8928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid bezit beschermde vogels onder Vogelwet 1936 ondanks Europese regelgeving
Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens overtreding van artikel 7 van Pro de Vogelwet 1936 door het bezit van een kerkuil en een oehoe, beide beschermde vogelsoorten. De verdediging stelde onder meer dat het bezit legaal was vanwege CITES-certificaten en Europese regelgeving, en dat nationale bepalingen in strijd waren met het vrije verkeer van goederen binnen de EU.
De Hoge Raad onderzocht uitvoerig de verhouding tussen nationale wetgeving en Europese verordeningen, waaronder Verordening (EG) 338/97 en eerdere regelgeving. Het hof concludeerde dat lidstaten bevoegd blijven strengere beschermingsmaatregelen te treffen, ook ten aanzien van in gevangenschap geboren vogels, mits binnen het CITES-verdrag. De Hoge Raad bevestigde deze interpretatie en verwierp het beroep dat het nationale verbod op bezit niet zou mogen worden gehandhaafd.
Daarnaast werd betoogd dat de wetgeving was gewijzigd en het bezit van dergelijke vogels niet langer strafbaar was. De Hoge Raad oordeelde dat de wijzigingen in de Flora- en faunawet en bijbehorende regelingen niet leidden tot een gewijzigde strafwaardigheid ten tijde van de feiten. Ook werd een vermeend novum niet aanvaard. De Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht de feiten als overtreding kwalificeerde en de verbeurdverklaring van de vogels handhaafde.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor overtreding van artikel 7 Vogelwet 1936 wordt bevestigd.