ECLI:NL:PHR:2003:AE9384
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijswaardering schriftelijke verklaring in asbestschadezaak tegen werkgever
De erven van de overleden werknemer [betrokkene A] vorderden schadevergoeding van zijn voormalige werkgever wegens blootstelling aan asbest tijdens het dienstverband, wat leidde tot mesothelioom en overlijden.
De Kantonrechter en Rechtbank wezen de vordering af omdat de erven niet konden bewijzen dat [betrokkene A] met asbest in aanraking was gekomen. De bewijsvoering bestond uit schriftelijke verklaringen van wijlen [betrokkene A], getuigenverklaringen en foto's.
De Hoge Raad stelde vast dat de bewijsregels van artikel 213 lid 1 Rv Pro, die beperkingen stellen aan de bewijskracht van partijgetuigenverklaringen, niet van toepassing zijn op schriftelijke verklaringen. De bewijswaardering van dergelijke geschriften is aan het vrije oordeel van de rechter.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de Rechtbank en verwees de zaak voor verdere behandeling naar het Gerechtshof Amsterdam. Dit arrest verduidelijkt de reikwijdte van bewijsregels omtrent schriftelijke verklaringen in het burgerlijk procesrecht.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis van de Rechtbank en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het Gerechtshof.