ECLI:NL:PHR:2003:AE9387
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Recht op aanwezigheid van verdediging bij getuigenverhoor in internationaal rechtshulpverzoek
In deze zaak gaat het om de vraag of de verdachten en hun raadslieden het recht hebben om aanwezig te zijn bij getuigenverhoren die in Canada plaatsvinden in het kader van een Nederlands rechtshulpverzoek. De verdachten vorderden dat de Nederlandse Staat zou bevorderen dat zij of hun raadslieden bij deze verhoren aanwezig mochten zijn. De rechtbank wees deze vordering af, maar het hof oordeelde dat het onthouden van deze mogelijkheid in strijd kan zijn met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad stelt vast dat het rechtshulpverdrag tussen Nederland en Canada niet verplicht tot het toestaan van aanwezigheid van de verdediging bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek. De beslissing hierover ligt bij de bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat. Bovendien kan niet op voorhand worden vastgesteld dat het ontbreken van deze aanwezigheid een schending van het ondervragingsrecht oplevert, omdat dit in een later stadium van de procedure kan worden gecompenseerd.
De Hoge Raad benadrukt dat het recht op ondervraging van getuigen niet betekent dat de verdediging bij elk verhoor aanwezig moet zijn, vooral niet in het opsporingsonderzoek. Wel moet de strafrechter uiteindelijk beoordelen of de rechten van de verdediging zijn geschonden. De conclusie is dat de vordering van de verdachten niet toewijsbaar is en dat de zaak moet worden afgedaan conform het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdediging niet het recht heeft om bij de uitvoering van een rechtshulpverzoek in Canada aanwezig te zijn en vernietigt het arrest van het hof.