1 Zie het vonnis van de kantonrechter van 10 januari 2001, eerste alinea onder MOTIVERING, en rov. 3.1 van het bestreden vonnis van de rechtbank.
2 HR 8 september 1993 (nr. 28 993), BNB 1993, 308.
3 Hof Arnhem, 27 september 1995, nr. 94/0937, Vakstudie Nieuws 1995, 4423.
4 Aanvankelijk vorderde [eiseres] een bedrag van ƒ 1.369,69. Bij conclusie van repliek heeft zij haar eis verminderd.
5 Zie voetnoot 4.
6 Prod. 2 bij de conclusie van antwoord.
7 De Hoge Raad heeft op 15 november 1996 nog twee andere arresten in gelijke zin gewezen: HR 15 november 1996 (Potjer/Gemeente Eelde), BNB 1997, 157 c en HR 15 november 1996, nr. 16 107 (Adema/Gemeente Dalen), n.g..
8 HR 21 november 1990 (Sint-Oedenrode), BNB 1991, 19.
9 Zie onder meer M. Scheltema, die zich in zijn NJ-noot op het standpunt stelt dat in het arrest wel een heel zwaar accent op de interpretatie van de overeenkomst wordt gelegd; P.J. Wattel in (nr. 3) van zijn noot bij HR 8 juli 1996, NJ 1997, 277; O.A. Haazen, Algemeen deel van het rechterlijk overgangsrecht (diss. 2001), p. 567-576, in het bijzonder p. 570-575. Wattel acht in zijn genoemde noot de beslissing overigens niet onredelijk, terwijl ook Haazen (o.c., p. 575), signaleert dat "(m)et het veelal bereikte resultaat - afwijzing van de terugvorderingsactie - (...) men wel (heeft) kunnen instemmen, (maar) met de gekozen benaderingen wat minder." B.G. van Zadelhoff noemt in zijn noot bij HR 15 november 1996 (Potjer/Eelde), BNB 1997, 157, de uitkomst van die zaak "bevredigend".
10 Parlementaire Geschiedenis van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, Boek 6, Algemeen Gedeelte van het Verbintenissenrecht, 1981, blz. 805-806.
11 Vgl. in dit verband ook HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 638, m.nt. MS. De formele rechtskracht van de belastingheffing bij wege van voldoening op aangifte blijft in stand, zelfs als naar aanleiding van het beroep van de belastingplichtige met betrekking tot een eerdere belastingperiode de onverbindendheid van de betrokken belastingverordening is vastgesteld.
12 Conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis, nr. 13; met het bedoelde standpunt stemt intussen niet overeen dat [eiseres] bij pleidooi in hoger beroep uitdrukkelijk bewijs heeft aangeboden dat Volta, "ook in 1993 reeds", van de ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting wist (pleitnotities in hoger beroep, nr. 3, slot). Daarmee refereert [eiseres] kennelijk aan het arrest van de Hoge Raad van 8 september 1993 (nr. 28 993), BNB 1993, 308. Volgens de geciteerde overweging uit het arrest Zuidwolde is echter het moment waarop uiterlijk bezwaar tegen de heffing bij wege van voldoening op aangifte had kunnen worden gemaakt, beslissend. Dat is van belang, nu het geschil betrekking heeft op de verschuldigdheid van omzetbelasting, die over de periode van november 1989 tot en met november 1994 in rekening werd gebracht.
13 Middelonderdeel 4 spreekt over NV Maatschappij voor elektriciteit en gas Limburg als de rechtsvoorganger van Volta. In haar conclusie van antwoord (sub 8), waarbij de brief is overgelegd, noemt Volta de NV haar vennootschapsrechtelijke moeder. De rechtbank maakt geen melding van de NV. De kantonrechter (p. 2, vierde tekstblok) duidt de NV als vennootschapsrechtelijke moeder van Volta aan.
14 De terminologie is ontleend aan O.A. Haazen, Algemeen deel van het rechterlijk overgangsrecht (diss. 2001), p. 573, die zich overigens kritisch over het arrest Zuidwolde uitlaat.
15 Veelal wordt aangenomen dat wie in twijfel handelde, niet dwaalde; zie bijv. Asser-Hijma 5-1 (2001), nr. 226.