ECLI:NL:PHR:2003:AE9668
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afstand doen van hoger beroep en oproeping getuigen in strafproces
In deze zaak is door het hof vastgesteld dat verdachte ter terechtzitting van 2 april 1999 afstand heeft gedaan van zijn recht op hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter. Verdachte was het hier niet mee eens en stelde in hoger beroep dat het hof ten onrechte niet de door hem opgegeven getuigen had opgeroepen en gehoord.
De Hoge Raad analyseert de toepasselijke wettelijke bepalingen omtrent het oproepen van getuigen, met name de artikelen 260, 263, 280, 287, 288 en 321 van het Wetboek van Strafvordering. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie blijkt dat bij het niet verschijnen van getuigen die tegen een latere zitting zijn opgegeven, het noodzakelijkheidscriterium geldt in plaats van het redelijkheidscriterium.
Het hof heeft dit criterium juist toegepast door te oordelen dat het niet nodig was de getuigen alsnog te horen omdat dit het proces onnodig zou vertragen en er geen redelijke schade voor de verdediging zou ontstaan. Daarnaast heeft het hof op basis van schriftelijke verklaringen en processtukken geoordeeld dat verdachte daadwerkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op hoger beroep, een feitelijke beoordeling die in cassatie niet verder wordt getoetst.
De Hoge Raad verwerpt de klachten van verdachte, bevestigt de niet-ontvankelijkheid in hoger beroep en wijst het cassatieberoep af. Ook het beroep op schending van art. 6 EVRM Pro wegens termijnoverschrijding wordt verworpen omdat verdachte geen beroep kon doen op rechtsmiddelen na afstand.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens afstand van het recht op hoger beroep; het hof heeft terecht het noodzakelijkheidscriterium toegepast bij getuigenoproeping.