9. Evenals andere beroepsbeoefenaren dient een assurantietussenpersoon bij de uitoefening van zijn beroep tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot/vakgenoot mag worden verwacht; het optreden van de assurantietussenpersoon dient dan ook aan de hand van dat algemene criterium te worden getoetst. (Zie HR 22 november 1996, NJ 1997, 718, m.nt. MMM en HR 11 december 1998, NJ 1999, 650, m.nt. Clausing; zie over dit algemene criterium voorts I.P. Michiels van Kessenich-Hoogendam, Beroepsfouten, 1995, nr. 12.) De Hoge Raad heeft in een viertal arresten aan deze voor de assurantietussenpersoon geldende algemene norm, een nadere uitwerking gegeven:
- In zijn arrest van 22 november 1996, NJ 1997, 718, m.nt. MMM, overwoog de Hoge Raad dat de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht, meebrengt dat de assurantietussenpersoon aan de verzekeraar voldoende inlichtingen verschaft om deze ervan te weerhouden naderhand een beroep op art. 251 K te doen - waarbij het zich kan voordoen dat de tussenpersoon in deze zorg is tekortgeschoten, ook al heeft het beroep op art. 251 K uiteindelijk geen succes - , en dat aan deze zorgplicht is voldaan wanneer aan de verzekeraar de inlichtingen zijn verstrekt die een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon voldoende mocht achten om te bereiken dat de verzekeraar met de relevante feiten bekend was of had behoren te zijn.
- In het arrest van 9 januari 1998, NJ 1998, 586, m.nt. MMM, werd overwogen dat het de taak van de assurantietussenpersoon is te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel - aldus de Hoge Raad - dat de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben; dit brengt in elk geval mee dat de assurantietussenpersoon, wanneer hij kennis krijgt van het overlijden van de verzekeringnemer, moet nagaan welke gevolgen dit voor de verzekeringsovereenkomst heeft - in het bijzonder of de verzekeringsovereenkomst ook na dit overlijden nog (voldoende) dekking biedt en welke maatregelen in dit verband wellicht nodig zijn - en dat hij de erfgenamen tijdig op een en ander opmerkzaam behoort te maken.
- In zijn arrest van 11 december 1998, NJ 1999, 650, m.nt. Clausing, herhaalde de Hoge Raad zijn overweging uit zijn arrest van 22 november 1996 dat de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht, meebrengt dat de tussenpersoon aan de verzekeraar voldoende inlichtingen verschaft om deze ervan te weerhouden naderhand een beroep op art. 251 K te doen; hij overwoog vervolgens dat zulks meebrengt dat indien de tussenpersoon niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt nog volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt (de aspirant-verzekeringnemer) dient te informeren ook wanneer het gaat om feiten betreffende een eventueel strafrechtelijk verleden, voor zover die feiten van belang zijn voor de beantwoording van vragen die de verzekeraar met betrekking tot het aangaan van de verzekering heeft gesteld. De assurantietussenpersoon dient daarbij ermee rekening te houden - aldus de Raad - dat zijn cliënt niet spontaan zal overgaan tot vermelding van gegevens omtrent zijn strafrechtelijk verleden.
- In het arrest van 29 januari 1999, NJ 1999, 651, m.nt. Clausing, werd geoordeeld dat het de taak is van de assurantietussenpersoon te waken voor de belangen van verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen en van degenen die door premie te betalen na een offerte te kennen geven zich tegen bepaalde gevaren te willen verzekeren; tot deze taak behoort - aldus de Hoge Raad - dat de assurantietussenpersoon, die betaling van een verzekeringspremie ontvangt in verband met het verlengen van een verzekering en die de betaling niet wil aanvaarden en de verzekering niet wil doen verlengen, onverwijld hiervan kennis geeft aan degene die de betaling deed, opdat deze dadelijk stappen kan ondernemen om zich elders te verzekeren.
J.G.C. Kamphuisen, "De opdracht aan de assurantietussenpersoon", 1994, onderscheidt met betrekking tot de plichten en aansprakelijkheid van de assurantietussenpersoon vier fasen. Hij betoogt (p. 40-45) dat op de assurantietussenpersoon gedurende de looptijd van de verzekering, "de vierde fase", de volgende plichten rusten. De tussenpersoon dient erop toe te zien dat de verzekering in stand blijft respectievelijk tijdig wordt aangepast of beëindigd. In beginsel zal de tussenpersoon erop moeten toezien dat de verzekering niet tijdens de looptijd zijn kracht verliest, bijvoorbeeld doordat een verzwaring van het risico is opgetreden zonder dat de verzekeraars daarvan kennis is gegeven. De mogelijkheden van de tussenpersoon om dat te doen zijn evenwel beperkt: meer dan een duidelijke voorlichting bij het aangaan van de verzekering en het bij voorkomende gelegenheid stellen van vragen zal de tussenpersoon in het algemeen niet kunnen doen. Hij mag in ieder geval niet stil blijven zitten ingeval hij kennis neemt van feiten die meebrengen dat door hem beheerde polissen aanpassing behoeven. Hij zal tevens moeten handelen ingeval aan hem door een cliënt een mededeling omtrent verzwaring van het risico is gedaan. De tussenpersoon zal - tenzij sprake is van een uitdrukkelijke opdracht - op basis van zijn vakkennis een selectie moeten maken uit de mededelingen die wel en de mededelingen die niet doorgegeven moeten worden; de functie van de tussenpersoon brengt mee dat hij zijn cliënt begeleidt in het verkeer met de verzekeraar.