ECLI:NL:PHR:2003:AF0131
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen eigendom steiger door horizontale natrekking en erkent gebruiksrecht op grond van vergunning
In deze zaak staat centraal de vraag of eiser eigenaar is van een steiger die grenst aan zijn perceel aan de Vecht, en of verweerders een recht van gebruik op die steiger hebben. Eiser stelt dat de steiger door horizontale natrekking eigendom van hem is geworden, omdat de steiger volgens hem als bestanddeel van zijn onroerende zaak moet worden beschouwd. Verweerders betwisten dit en beroepen zich op een vergunning van Rijkswaterstaat uit 1979 die hen een gebruiksrecht verleent.
De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de steiger geen bestanddeel is van het perceel van eiser, omdat de steiger niet zodanig met de grond verbonden is dat zij zonder beschadiging niet kan worden verwijderd, en omdat de grond zonder de steiger niet als incompleet wordt beschouwd. Het hof bevestigde dat het gebruiksrecht van verweerders op de steiger zijn grondslag vindt in de vergunning van Rijkswaterstaat.
De Hoge Raad onderschrijft deze oordelen en overweegt dat eiser onvoldoende heeft gesteld en bewezen dat de steiger in constructief opzicht specifiek op de oever is afgestemd, en dat de steiger niet als wezenlijk onderdeel van de onroerende zaak kan worden gezien. Ook is de fysieke verbinding tussen steiger en grond onvoldoende voor natrekking. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat eiser geen eigenaar is van de steiger en dat verweerders een gebruiksrecht hebben op grond van een vergunning.