ECLI:NL:PHR:2003:AF0175
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over reïntegratieverplichtingen werkgever bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een werknemer die door twee ongelukken gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt en zich inspant om binnen het GAK aangepast werk te verrichten. Na diverse reïntegratiepogingen, waaronder scholing via het IvAS, concludeerden partijen dat herplaatsing niet haalbaar was. De werknemer vorderde loonbetaling en toelating tot passend werk, terwijl het GAK stelde dat zij alles redelijkerwijs had gedaan.
De rechtbank wees de vordering grotendeels toe voor de periode tot 1997, maar wees haar voor het overige af, stellende dat geen reëel uitzicht bestond op geslaagde herplaatsing. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte de toepassing van art. 7:628 BW Pro: de werkgever moet passend werk aanbieden indien dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, maar is niet verplicht tot herplaatsing zonder reëel vooruitzicht op succes.
De Hoge Raad benadrukte dat de werkgever voortvarend moet handelen en tijdig duidelijkheid moet verschaffen over de mogelijkheden, maar dat het ontbreken van een reëel vooruitzicht op succesvolle reïntegratie de verplichting tot loonbetaling en herplaatsing kan beëindigen. Tevens werd bevestigd dat het oordeel van een reïntegratie-instituut niet bindend is voor de werkgever.
De uitspraak geeft belangrijke richtlijnen over de reïntegratieverplichtingen van werkgevers bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en de grenzen van loonbetaling bij gebrek aan passende functies.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het GAK niet verplicht is tot loonbetaling en herplaatsing zonder reëel uitzicht op succesvolle reïntegratie.