1 Productie 17 als overgelegd bij de introductie van deze zaak in eerste aanleg.
2 Dat de bevindingen van dit rapport niet juist zijn, wordt in de huidige procedure door de bank inhoudelijk erkend.
3 In de hoop zowel veelvuldige herhaling als mogelijk misverstand te vermijden, zal ik het eerste door de bank opgestelde rapport hierna meestal kortweg (het) "rapport" noemen, het door [eiser] gewenste nadere rapport (het) "tegenrapport", en het nadere rapport dat de bank in feite heeft doen opstellen (het) "rectificatierapport".
4 Zie tussenbeschikking Kantonrechter Amsterdam d.d. 29 augustus 1995, rov. 5 onderaan (opgenomen als productie 15 bij conclusie van eis).
5 Tussenbeschikking, rov. 8.
6 Tussenbeschikking, rov. 9.
7 Zie de tussenbeschikking, rov. 10 en de eindbeschikking, rov. 6 en 7.
8 Memorie van Grieven nr. III.4 en petitum.
9 Middelonderdeel 5 vestigt ook de aandacht op andere omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd. Ik zal daaraan in alinea 29 aandacht besteden.
10 Waarmee ik niet bedoel te impliceren dat het in de rede had gelegen dit oordeel wèl te bestrijden. Het gaat er slechts om, dat dit oordeel in cassatie niet ter discussie staat.
11 HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257 m.nt. PAS.
12 HR 5 maart 1999, NJ 1999, 644 m.nt. PAS.
13 HR 2 november 2001, NJ 2001, 667.
14 HR 1 maart 2002, RvdW 2002, 51.
15 HR 1 maart 2002, RvdW 2002, 52.
16 Ik verwijs daarvoor naar de voetnoten 6, 9 en 11 bij mijn conclusie voor het in de vorige alinea geciteerde arrest, en sedertdien nog: De Laat, SR 2002, p. 167 e.v.; Loonstra, ArA 2002, p. 4 e.v. (i.h.b. p. 21 e.v.); Van Marwijk Kooy, ArbeidsRecht 2002, p. 33 e.v.
17 Ik zal hierna alleen aandacht besteden aan het geval dat de werknemer in de ontbindingsprocedure een vergoeding heeft verzocht. Soortgelijke problemen kunnen zich echter voordoen in het - in de praktijk zeldzame - geval dat zo'n vergoeding door de werkgever is verzocht.
18 Het kan natuurlijk ook verwijten betreffen die de betreffende partij als onrechtmatige daad kwalificeert; maar ik zou menen dat dat voor de vraag van samenloop die hier te beoordelen is, geen verschil maakt.
19 Zoals in HR 1 maart 2002, RvdW 2002, 52 aan de orde was.
20 Dat blijkt m.i. ook uit HR 2 november 2001, NJ 2001, 667. Daarin was een "categorie - a)" tekortkoming in het geding.
21 Deze gedachte vindt (enige) steun in HR 5 maart 1999, NJ 1999, 644 m.nt. PAS (T(ulkens)/FNV). In die zaak was zowel onheuse bejegening van de werknemer aan de orde, als een (mogelijke) tekortkoming die tot arbeidsongeschiktheid zou hebben bijgedragen. Over het eerste gegeven oordeelde de Hoge Raad dat dat, nadat het in een ontbindingsprocedure aan de orde was geweest, niet opnieuw in een procedure tot verkrijging van schadevergoeding kon worden beoordeeld. Van het tweede gegeven was in cassatie niet betoogd dat hetzelfde het geval zou zijn. Uit de overwegingen met betrekking tot wèl op dit gegeven gerichte klachten (in rov. 3.6 en 3.7 van het arrest) blijkt intussen niet dat de Hoge Raad zou menen dat de rechtbank niet over dit aspect had mogen oordelen (omdat dat in de ontbindingsprocedure al adequaat had kunnen worden beoordeeld).
22 Zeker wanneer het de werknemer betreft, die immers door het recht (met recht) tot op zekere hoogte in bescherming wordt genomen.
23 Ik meen overigens dat daarbij door de kantonrechter in de ontbindingsprocedure in het midden is gelaten of de bank jegens [eiser] gehouden was het door deze gewenste (tegen)rapport te verstrekken - de kantonrechter heeft slechts het nadeel dat [eiser] ondervond doordat hij in feite niet over dat stuk kon beschikken, in de begroting van de ontbindingsvergoeding betrokken. De rechtbank heeft daarentegen blijkens het in rov. 17 gegeven oordeel - zie alinea's 9 t/m 11 hiervóór - kennelijk aangenomen dat het niet-verstrekken van het betreffende stuk niet strijdig was met de verplichtingen van een goed werkgever - wat impliceert dat [eiser] er geen recht op kon doen gelden dat dat hem werd verstrekt. Dat laatste laat natuurlijk onverlet dat [eiser] bij het door hem verlangde stuk belang kan hebben, en dat dat belang en het daarmee verbonden nadeel in de begroting van de ontbindingsvergoeding een rol (mogen) spelen.
24 Zie bijvoorbeeld HR 10 mei 1996, NJ 1996, 643, rov. 3.3; HR 30 september 1994, NJ 1995, 260 m.nt. EAA, rov. 3.6 en HR 27 november 1981, NJ 1982, 503 m.ntn. EAAL en WHH, rov. 14, naast HR 5 september 1997, NJ 1999, 410 m.nt. DWFV, rov. 3.3.3. Zie over het onderwerp uitvoerig Haazen, "Algemeen deel van het rechterlijk overgangsrecht", diss. 2001.
25 De betreffende passages gaan vooral over wat tussen partijen "de declaratiekwestie" wordt genoemd, waarover in de ontbindingsprocedure, blijkens de stukken uit die procedure, ook uitvoerig is gedebatteerd. Nieuw is slechts de stelling dat er ook (achteraf gebleken) ongenoegen zou hebben bestaan ov[verweerders] verlangens m.b.t. Joodse religieuze verplichtingen. Juist die stelling wordt echter in de ter staving daarvan aangevoerde producties (prod 20 a en b bij de conclusie van repliek in eerste aanleg) niet bevestigd, wat geredelijk kan verklaren waarom de rechtbank daaraan voorbij is gegaan (evenals de kantonrechter in eerste aanleg had gedaan). De verklaring van [betrokkene 2] waarnaar het middelonderdeel verwijst heb ik in de stukken niet kunnen vinden.