ECLI:NL:PHR:2003:AF0218
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken kennelijke fout in alimentatieherstelbeschikking
Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hebben twee minderjarige zonen. Na echtscheiding werd door de rechtbank alimentatie vastgesteld, waarbij de man betaalde voor de vrouw en de jongste zoon. De vrouw ging in hoger beroep om hogere alimentatiebedragen te verkrijgen. Het hof wijzigde de alimentatie, maar wees het verzoek van de man tot herstel van vermeende rekenfouten af, omdat geen sprake was van een kennelijke fout.
De man stelde cassatieberoep in tegen de eerste herstelbeschikking van het hof, waarin zijn verzoek tot herstel werd afgewezen. De Hoge Raad onderzocht of het hof bevoegd was de herstelbeschikking te geven en of de man ontvankelijk was in zijn beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep zich uitsluitend richtte tegen de eerste herstelbeschikking en dat tegen een verbetering of weigering daarvan in principe geen rechtsmiddel openstaat.
Uitzondering op dit verbod geldt alleen als sprake is van een onjuiste toepassing van de herstelbevoegdheid of schending van essentiële procesregels. De man stelde echter geen dergelijke gronden, maar betoogde slechts dat de oorspronkelijke beschikking onjuist was. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk. Tevens werd bevestigd dat het hof terecht oordeelde dat geen sprake was van een kennelijke rekenfout die eenvoudig herstel zou rechtvaardigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een kennelijke fout in de herstelbeschikking.